Verborgen schatten zien eindelijk weer daglicht

's Zomers is het in de museumwereld een populaire formule: 'een keuze uit de collectie'. Het Kröller-Müller Museum in Otterlo doet het nu reeds, in het prille voorjaar....

Opnieuw wordt een bewijs geleverd dat veel waardevolle kunst ten onrechte een verborgen leven in het depot leidt. Uitpakken met het 'eigen bezit' kan een handige manier zijn om het tentoonstellingsbudget te ontlasten, maar soms maakt het pijnlijk duidelijk dat menig museum te weinig pronkt met zijn collectie.

Meer dan 1400 grote en kleinere beelden telt de collectie van het Kröller-Müller Museum in totaal. In de tuin staan er 90 permanent opgesteld. In de gangen en tussen de schilderijen in de zalen door kan men enkele tientallen beelden kwijt, maar vooral de kleinere beelden zijn soms jaren onvindbaar. Wie er nu kennis mee maakt - of ze eindelijk weer eens terugziet - zal moeten toegeven dat het meeste niet in depot hoort.

De prachtige kubistische Vrouwenkop van de Hongaar Jospeh Csaky bijvoorbeeld, het bronzen masker van de Japanse geisha Hanoko door Rodin, de meisjesfiguren van Maillol, de barse bronzen kop van Baudelaire door Raymond Duchamp-Villon, het fascinerende wassen portret van een glimlachende vrouw en Kind in zon van de Italiaan Medardo Rosso. Maar ook de tientallen kubistische beeldjes van de Pool Lipchitz, waaronder het imponerende portret van de schrijfster Gertrude Stein, een gipsen versie van het beroemde bronzen beeld dat in het New-Yorkse Museum of Modern Art staat.

Er zitten ook mooie voorbeelden bij van Nederlandse beeldhouwkunst, zoals de maskers, een zandstenen vrouwenkop en een meterhoge vrouwentorso van John Raedecker, hardstenen koppen van Hildo Krop, en het fijngevoelige Kop van een jonge man en een aantal kleine aardewerken figuurtjes van Mendes da Costa.

Veel van deze beelden uit de eerste helft van deze eeuw zijn nog aangekocht door mevrouw Kröller. Maar het was A.M. Hammacher, de eerste directeur van het museum, aangesteld in 1947, die van Kröller-Müller een van de grote sculptuurmusea van Europa zou maken. De beeldhouwkunst werd zijn belangrijkste verzamelgebied, naast de schilder- en tekenkunst.

Hammacher was internationaal breed georiënteerd - hij kocht ook niet-westerse beeldhouwkunst - maar liet zich bij zijn keuze van aankopen sterk beïnvloeden door zijn vriendschap met kunstenaars, als Lipchitz, Henry Moore en Barbara Hepworth. Zij zijn alle drie goed vertegenwoorigd in de collectie. Zijn vriendschap met Lipchitz leidde er bovendien toe, dat het museum in 1976 meer dan veertig gipsen beelden uit diens nalatenschap verkreeg.

Ook veel werk van ná 1960, nu in vier zalen van de 'nieuwe' vleugel, vrágen om een permanente opstelling. Eindelijk is Pistoletti's imposante Venus van de vodden weer te zien: een tweeënhalf meter hoge berg oude kleren, waarin een metershoge klassieke, naakte Venus haar gezicht, borsten en buik verbergt. Het museum kocht het in 1984, samen met Pistoletti's vrolijke Figura che si guarda, dat nu ook staat opgesteld.

Een recent ruimtelijk werk van Anselm Kiefer, 20 Jahre Einsamkeit, dat in bruikleen is afgestaan, geeft het museum de gelegenheid een bijzondere Kiefer-zaal in te richten met negen schilderijen en werken op papier. In de andere zalen grote werken van de Amerikaan Dennis Oppenheim, van A.R. Penck, Mario Merz, Franz West, Giuseppe Penone en Louise Bourgeois.

Senza titolo van Jannis Kounellis, dat bestaat uit een ijzeren plateau met zeven echte cactussen, vormt wel het mooiste bewijs dat goede kunst geen schaduwbestaan mag leiden, maar daglicht verdient. Toch heeft het museum, dat Kounellis meestentijds op de plank houdt, daar iets opgevonden: de cactussen - het werk dateert uit 1967 - mogen in een speciaal kasje rustig doorgroeien.

Sculptuur 1900-1950, t/m 25 april, en Beeldhouwkunst van 1960 tot nu, t/m 8 augustus. Kröller-Müller Museum, Otterlo. Eerstgenoemde expositie wordt in de zomer hernomen.

Meer over