Ver weg, en toch te dichtbij Rooskleurige expositie over Parijs en Brussel in de negentiende eeuw

'Een smoezelig kereltje dat een deftige heer om de hals vliegt en hem vraagt: adopteer mij' Zo kenschetste de schrijver Charles Baudelaire de verhouding tussen Brussel en Parijs in de negentiende eeuw....

JAN BLOKKER

'OVER HET ALGEMEEN is het leven kleurloos. Sigaren, groente, bloemen, fruit, het eten, ogen, haren: niets heeft smaak of tint, alles is somber, flets en laf. Alleen de honden leven. Het zijn de negers van België.'

Baudelaire over Brussel, in Pauvre Belgique.

Niet erg aardig natuurlijk tegenover een land waar hij (anno 1864) welbewust asiel had gezocht. Ook niet erg hoffelijk tegenover hartelijke gastheren als de schilderende gebroeders Stevens die hij verderop in zijn verbitterde aantekeningen 'volmaakt Vlaams' zou noemen omdat ze 'de perfectie in het niets' hadden bereikt. En waarschijnlijk ook niet erg representatief voor de ontluikende artistieke relaties tussen het grote Frankrijk en z'n kleine noorderbuur.

De verzachtende omstandigheden zijn bekend. De dichter leefde gedurende z'n laatste jaren in de schaduw van hardnekkige schuldeisers, in wrevel over het gevoel van miskenning, en in de wetenschap dat de syfilis hem binnenkort volledig zou hebben opgevreten. Grote zwartgalligheid moet zijn kijk op de Belgen ('De vrouwen! Het is hier voor een man helemaal geen verdienste om kuis te leven') hebben verduisterd - en om die reden zou het kladboek vol lelijks ook eigenlijk beter vergeten kunnen worden.

Maar ja.

Als ik voor de derde keer de rondgang heb gemaakt door de achttien mooi ingerichte zalen van het Parijse Grand Palais, moet ik toch nog steeds een beetje aan de hatelijke bundel denken - al was het maar vanwege zaal V waar de Franse 'herontdekking' van Rubens wordt gememoreerd, dus vanwege Baudelaire die schreef: 'De oude schilders weerspiegelden de ware volksaard: opgeblazen hoovaardij en stompzinnigheid. Zo moet je ook Rubens zien: een wildeman in een jasje van satijn.'

Paris-Bruxelles, Bruxelles-Paris, over de kunstzinnige wisselwerkingen tussen Frankrijk en België, van 1848 tot 1914.

De jaartallen lijken zinvol gekozen. 1830 zou te vroeg zijn geweest. De Belgen hebben zich dan weliswaar van Nederland afgescheiden ('hebben het Nederlandse juk afgeworpen', heet het iets heroïscher in de catalogus), maar vooralsnog staat hun onafhankelijke land nog enigszins onder curatele van de grote mogendheden, Engeland voorop. Het maaksel van het Wener Congres - twee Nederlanden onder één koning - moge dan mislukt zijn, de vrees voor nieuwe Franse expansiedrift is nauwelijks afgenomen, dus op het punt van internationale betrekkingen, zeker met Parijs, moeten de Belgen op hun tellen passen.

Daarom 1848. België staat definitief op de landkaart van Europa, en niet eens zo'n klein beetje. De in de Nederlandse tijd al begonnen industrialisatie (mijnbouw, staal, textiel) is krachtig doorgezet, het land is een welvarend bolwerk van nijverheid geworden, waar een liberale en bovenal anticlericale elite de dienst uitmaakt: een stuk moderner, en op papier ook een stuk vrijer en democratischer - zeker voor de snel groeiende bovenklasse van ondernemers, fabrikanten en beoefenaren van intellectuele beroepen - dan Frankrijk. De Belgische bevolking groeit tweemaal zo snel als de Franse.

En 1914 markeert het even logische als dramatische einde: de intussen ontwikkelde relaties tussen Brussel en Parijs bereiken als het ware hun verdrietige hoogtepunt in de loopgraven tussen Yperen en Verdun. Fransen en Belgen, van hoog tot laag, nog eenmaal verenigd tot vrienden voor het leven! Maar voor de meesten duurt het leven niet lang meer, en als de Grote Oorlog voorbij is, is het ook meteen afgelopen met het francofone 'eenheids'-België dat tot die tijd schijnbaar heeft bestaan, en dat de Parijse tentoonstelling als enige erkent.

Duizenden 'kleine' Vlaamse soldaten, die amper deel hebben gehad aan de welvaart van hun rijke land, zijn voor koning en vaderland gesneuveld omdat ze de bevelen van hun Franstalige officieren niet konden verstaan, en na 1918 zullen de overlevenden zich hun Vlaamse IJzerbedevaart nooit meer laten afpakken. In de dagen dat Baudelaire zich in Brussel nog in een namaak-Frankrijk kon wanen (van loslopende Vlamingen pikte hij alleen de vloek Chot-for-damm op, die hij niet precies wist te spellen), heeft zich al een 'Vlaamse Beweging' gemanifesteerd, maar haar triomf komt nu pas, en die zal een definitieve scheiding der geesten teweegbrengen. Sire hoeft misschien niet bang te zijn dat er überhaupt geen Belgen bestaan, hij moet er wel rekening mee houden dat er voortaan twee soorten Belgen zijn.

Paris-Bruxelles v.v. mag in zoverre met recht een historische expositie heten, dat ze de relatie in beeld brengt tussen Frankrijk en een samenleving die definitief in het verleden is verzonken. Voor het België van de eerste twee Leopolden, waar Frans de staatstaal was en de betrekkingen met Nederland nog een poosje bleven lijden onder het 'trauma' van de Tiendaagse Veldtocht, was Parijs het vanzelfsprekende oriëntatiepunt; daar moest, zeker als het om de cultuur ging, de lafenis gezocht worden.

Sociaal en politiek zal dat, juist ook vanwege het Belgische welvaren in de negentiende eeuw, anders zijn geweest.

Zaal 1 in het Grand Palais vraagt aandacht voor een ampele wandtekst waarop vergelijkenderwijs de historische gebeurlijkheden in beide landen worden aangestipt.

Grote onevenwichtigheid!

Aan Franse kant wemelt het van de evenementen. Meteen al revolutie in 1848. Tweede Republiek onder Louis-Napoleon Bonaparte. Tweede Keizerrijk. Krimoorlog. Italiaanse campagne. Napoleontische aanspraken op België en Luxemburg. Oorlog tegen Pruisen. Derde Republiek. Boulangistenbeweging. Dreyfus-affaire. Moord op president Carnot.

Al die opwinding lijkt aan België voorbij te gaan. Zonder zich te mengen in internationale heibels speelt de uit Saxen-Coburg ingehuurde eerste koning der Belgen met grote vaardigheid het dynastieke kwartetspel waarbij het er om gaat je kinderen zo voordelig mogelijk in cruciale vorstenhuizen uit te zetten. Zijn zoon meldt zich op de Berlijnse 'koloniën'-conferentie van 1885 haast sluipsgewijs als opkoper van de Kongo, dat hij om te beginnen als zijn persoonlijk eigendom zal bestieren. En tegen de tijd dat de flaminganten en de socialisten iets te oproerig dreigen te worden, daalt stilletjes een godsvrede neer die én de taal- én de school- én de arbeidersstrijd zo'n beetje appaiseert.

Heureuse Belgique!

Het België van de Parijs tentoonstelling is het België van de toenmalige notabelen. Dus voorzover het om de (lichtelijk aangestipte) literaire relaties gaat wél de Vlaming Verhaeren die in het Frans, maar niet de Waal Conscience die in het Vlaams schreef, dus al helemaal niet Gezelle die zowel Vlaming als Vlaamstalig was. In de muziek wel César Franck, maar niets van de toch tamelijk rijke Vlaamse liedertafelcultuur. Van de twee Rodenbachs wel Georges die al vroeg naar Parijs emigreerde, maar niet Albrecht die z'n hele leven in Roeselare bleef wonen.

De keuze is verdedigbaar omdat het de inrichters tenslotte was begonnen om wisselwerkingen, en er met al die eigengereide, zelfbewuste Vlamingen niet of nauwelijks iets werd gewisseld. Misschien was er iets meer ruimte voor het 'grotere' België geweest, als men zich niet nadrukkelijk had willen beperken tot de artistieke relaties tussen de twee landen - als ook aandacht was gegund aan de maatschappelijke, de politieke en de meer sociaal-culturele betrekkingen.

Als louter kunsthistorisch retrospectief laat de expositie zich bekijken als een fascinerende documentaire, die van het classicisme à la Delacroix (al dadelijk in zaal I: Anton van Ysendyck als de Pieneman van Leopold I en Louis-Philippe), via romantiek, impressionisme, de Barbizon-school, het symbolisme en de 'sociale kunst' tot aan de Art Nouveau reikt. Of op een andere manier gezegd: van het gietijzeren vooruitgangsgeloof (vooral bij de welvarende Belgen dominant!) via de twijfel aan alle moderne zegeningen tot aan de tijdelijke synthese in een nieuwe kunst die op z'n Duits ook zo veel aardiger de Jugendstil heette.

Maar hoe zat het nou precies met de wisselwerkingen tussen Parijs en Brussel?

Daarover zijn weinig illusies mogelijk: Parijs gaf de toon aan, Brussel volgde. Dat wil zeggen: voorzover het om de artistieke hegemonie ging. In maatschappelijk opzicht was het bijna altijd omgekeerd - kwam het er elke keer op neer dat Fransen zich in eigen land benard voelden, en het liberale België zich voordeed als een vrijhaven. Honderden Franse intellectuelen en kunstenaars ontvluchtten Parijs in februari '48 uit onzekerheid over de afloop van de thuisrevolutie. In Brussel waren ze zonder meer welkom (al kreeg Karl Marx dat jaar het beleefde verzoek z'n heil elders te zoeken), en dat waren ze een paar jaar later opnieuw na de staatsgreep van Napoleon III - het moment dat Victor Hugo België boven Frankrijk prefereerde - en nog weer later bij duizenden ten tijde van de Frans-Duitse oorlog en de Parijse commune.

Los van zulke levensbehoudelijke overwegingen - het vege lijf liever levend in Brussel dan dood in Parijs - werkte altijd de Franse hang mee naar het 'nordische': iets als een zuidelijk of zelfs mediterraan instinct naar wat ze voor het germaanse mysterie aanzien. Tot op deze dag zijn de Fransen oververtegenwoordigd onder toeristen die, liefst in oncomfortabele autootjes, naar de Noordkaap rijden. Uit die drift kan misschien ook de teleurstelling verklaard worden die bij Baudelaire extreme vormen aannam, maar die je ook bij latere schrijvers als Rimbaud, Verlaine en Gide kunt teruglezen: Brussel was wel veraf, maar toch te dichtbij. Van schrijvers verwachtte het Belgische publiek bovendien rederijkerachtige voorstellingen, en geen artistiek gemompel dat de poète maudit aan zich voorbehield.

NOG EEN DERDE, weer meer materialistisch motief om als Frans kunstenaar naar Brussel te neigen, was het 'markt'-klimaat. Ze waren daar behalve liberaal ook rijk. Wat in Parijs op bezwaren stuitte, kwam bij de Belgen (kopers, klanten, uitgevers) altijd snel of sneller voor elkaar. 'De Belgen', schreef de kwaadsappige Baudelaire, 'meten de waarde van de kunstenaars aan de prijzen van hun schilderijen. Als ze drie uur lang over prijzen hebben gesproken, denken ze dat ze drie uur over schilderkunst hebben gesproken.'

Ook weer overdreven natuurlijk, maar vermoedelijk niet helemaal bezijden de waarheid. Er zijn ontzettend veel meer Fransen verkocht in Brussel dan Belgen in Parijs.

De Belgen op hun beurt togen naar Parijs als vliegen naar de kaars: hun Mekka, hun hoofdstad, hun Licht. Het had iets vanzelfsprekends - zeker voor een volk dat al sinds 1835 (het eerst van Europa!) het besef van afstand had ingeruild voor het besef van spoorwegen. Theo van Rysselberghe, de broers Stevens, Fernand Khnopff, Félicien Rops - voor allemaal was Frankrijk de wereld, ook al bleef België hun vaderland. Grote baanbrekers waren ze geen van allen, interessante tekenaars en schilders waren ze soms wel degelijk. Bij al m'n rondgangen door de achttien zalen van het Grand Palais ben ik weer lang blijven stilstaan voor Khnopffs En écoutant Schumann - met de centrale vrouwenfiguur die haar gezicht met de rechterhand bedekt alsof ze misschien huilt, en helemaal links zie je de rechtervingers (en niet meer dan dat) van het meisje, want het zijn kindervingers, dat de allerhoogste toetsen toucheert, dus het moeten wel Kinderszenen zijn. Heel prachtig.

Maar is het toeval dat de enige overheersende Belg - James Ensor - ook de enige was die nog op hoge leeftijd met een zekere hovaardigheid verklaarde: 'Paris m'est totalement inconnu'? Het lijkt een beetje op de pamflet-achtige uitbarsting van Antoine Wiertz, wiens werk in Parijs werd afgekraakt en die vervolgens een krijt-collage maakte onder de titel Bruxelles capitale, Paris province. Maar ach, Wiertz. 'De Christus van de humanisten', schreef Baudelaire. En: 'Deze charlatan heeft zijn schaapjes op het droge. Maar wat moet Brussel na z'n dood met al die schilderijen beginnen?'

Brussel heeft die vraag zoals we weten beantwoord. Het heeft een Wiertz-museum ingericht dat druk wordt bezocht door vooral Engelse toeristen - zoals Baudelaire al half voorspelde.

Een aparte zaal is in Parijs gereserveerd voor Les Abîmes - de afgrondelijken. Terecht, want het gaat om een genre dat, halverwege de doodsromantiek, de décadence en het surrealisme, vooral aan Belgische kant intrigerende werkstukken heeft voortgebracht. Er wordt bij wijze van spreken in geaarzeld tussen een mystiek soort geloof en een totaal nihilisme - Schopenhauer en Nietzsche staan even koesterend aan de wieg als mevrouw Blavatsky en Henri Bergson, dus wat je noemt een hybride richting. Bij Rops (Pornokratès) zijn er een paar prachtige voorbeelden van, maar over wisselwerkingen gesproken: dat is kennelijk nooit goed in Franse aarde gevallen.

Hetzelfde zou je wellicht kunnen zeggen van de Art Nouveau. In het geïndustrialiseerde België - tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog minstens zo bouwdrift als Parijs, maar waarschijnlijk erger - werd de 'Jugendstil' onmiddellijk met enthousiasme omarmd, deels misschien ook ontketend. Maar over de fameuze tentoonstelling van Siegfried Bing (Parijs 1895; dezelfde maand dat de Lumières de cinema introduceerden) schreef de Parijse criticus Arsène Alexandre: 'Het ruikt allemaal naar Engelse ondeugden, naar joods morfinegebruik en naar Belgische uitgekooktheid, of naar een brouwsel van die drie vergiften.'

Niet helemaal Baudelaire, maar toch aardig in de buurt. Aan de rooskleurige tentoonstelling zie je het niet meteen af, maar in de gevestigde Parijse kunstkritiek van rond de eeuwwisseling werd over België zelden anders gesproken dan met een zeker dédain, op z'n mooist welwillend dédain.

Daar zal ook de verklaring gezocht moeten worden voor het verlangen van veel Belgische kunstenaars in de negentiende eeuw om in Parijs te slagen voor zoiets als het artistiek inburgeringsexamen. Of in de boosaardige woorden van Baudelaire: 'België is als een smoezelig kereltje dat om de hals vliegt van een deftig geklede heer, en aan hem vraagt: Adopteer mij! Wees alstublieft mijn vader'

Wat dat betreft waren de 'wisselwerkingen' toch een stuk eenzijdiger dan Paris-Bruxelles VV op het eerste gezicht doet voorkomen.

Paris-Bruxelles, Bruxelles-Paris in het Grand Palais, Parijs, tot 14 juli. Daarna in het Museum voor Schone Kunsten in Gent, 6 september tot 14 december. Catalogus FF 380.

Meer over