Varda en Demy: liefde in beelden

Filmhuis wijdt groot retrospectief aan regisseursechtpaar..

Van onze medewerker Kevin Toma

amsterdam Het begint als de nietszeggende ontmoeting tussen twee niet zo belangrijke personages. Maar als de 14-jarige Cecile en een Amerikaanse matroos in Jacques Demy’s regiedebuut Lola (1961) op de kermis samen in de rups kruipen en hij zijn arm om haar heen slaat, zie je het als kijker gebeuren: het meisje wordt stapelverliefd. Terwijl het zo zinloos is, vanwege het leeftijdsverschil en omdat hij op het punt staat terug te gaan naar Amerika. Maar Demy gunt hun dit moment graag; om het tot het uiterste te rekken, vertraagt hij het beeld zodra ze uit de rups stappen en hand in hand wegrennen. En dan is daar toch het afscheid, krijgt de film zijn normale snelheid terug – en gaat het leven gewoon verder.

De films van Jacques Demy en Agnès Varda, aan wie Filmhuis Den Haag een uitgebreid retrospectief wijdt, barsten van zulke treurig-mooie scènes. Het is daarom allerminst banaal te stellen dat het programma, dat dit weekend in aanwezigheid van Varda en dochter Rosalie geopend zal worden en vervolgens in 12 steden te zien zal zijn, eigenlijk vooral om de liefde draait. Omdat Demy en Varda bijna dertig jaar getrouwd waren toen Demy in 1991 aan aids stierf, maar toch vooral omdat de liefde in hun werk zo’n essentiële rol speelt, en zelden zo eerlijk en raak werd verbeeld.

Demy en Varda deelden nooit de regiestoel; ze bezochten zelden elkaars set en hielden elk discreet afstand tot het werk van de ander. Niettemin verhouden hun films zich soms als broer en zus, zoals Demy’s Lola en Varda’s Cléo de 5 à 7 (1962), dat twee uur aan de zijde blijft van de jonge zangeres Cléo, vlak voor ze de uitslag van een ziekenhuisonderzoek krijgt. Ook hier levert de toevallige ontmoeting met een vreemde de mooiste momenten van de film op: in het park treft Cléo een soldaat, kort voordat hij terugkeert naar het front in Algerije. Misschien is het slechts de gedeelde angst voor de dood die hen kort samenbrengt, en toch groeit in enkele minuten een band die onder andere omstandigheden voor het leven had kunnen zijn.

Nog sterker zijn de overeenkomsten tussen Demy’s Les parapluies de Cherbourg (1964) en Varda’s Le bonheur (1965). Les parapluies volgt de verwijdering van een aanvankelijk smoorverliefd paartje, terwijl het zielsgelukkige gezin uit Le bonheur uiteenvalt als de man zijn overspel opbiecht. In beide films brokkelt de romantiek af zonder dat er veel aan te doen valt, wat door de stijl des te schrijnender werkt: zowel in Les parapluies als Le bonheur blijven de kleuren van het scherm spatten, en dan wordt Les parapluies ook nog gezongen. Als koppig zonnige musical zonder happy end gaat Demy’s meesterwerk nog steeds door merg en been.

Demy wilde vijftig films maken waarin dezelfde personages herhaaldelijk opduiken. Zover heeft hij niet kunnen komen, maar het is al fascinerend genoeg om Anouk Aimée als Lola terug te zien in het Hollywood-uitstapje Model Shop (1969), terwijl Lola’s jeugdvriend Roland het in Les parapluies de Cherbourg met Catherine Deneuve’s personage aanlegt – rijker, ouder en uitgeblust, wat je vooral merkt als je zijn eerste filmoptreden kent. Met de karakters komen ook de locaties terug: de havens van Nantes en Cherbourg, de straten en pronkerige winkelpassages. De ene keer in zwartwit, de andere keer zo bont dat alles overgeschilderd lijkt. Zo bouwde Demy aan een eigen, tussen droom en realiteit gesitueerde wereld.

Die wereld werd door Varda op latere leeftijd verkend: in de documentaires die ze over Demy’s films maakte, en vooral in het bitterzoete Jacquot de Nantes (1991), dat ze nog net wist te voltooien voor Demy stierf, en dat hun enige echte samenwerking werd. Zelf had hij de puf niet meer om zijn memoires te verfilmen, dus bezocht Varda de bekende locaties, en spiegelde ze Demy’s jeugd aan scènes uit zijn films. Maar het indrukwekkendst zijn de extreme close-ups van de doodzieke Demy – zijn geelgrijze haren, de vlekken op zijn gezicht, het nog niet gedoofde vuur in zijn ogen.

Zichzelf zat Varda, in haar nopjes met de net aangeschafte digitale camera, net zo nauw op de huid in de documentaire Les glaneurs et la glaneuse (2000). Maar pas in het charmante zelfportret Les plages d’Agnès (2008), op 80-jarige leeftijd, wilde ze uitgebreid over zichzelf vertellen. Over haar jeugd en carrière, en natuurlijk over Demy, die ze na twintig jaar nog verschrikkelijk mist. ‘De dierbaarste van alle doden’, noemt ze haar grote liefde, wiens graf ze met rozen en begonia’s bestrooit. Wie weet wat voor film Demy over háár had gemaakt, als hij de kans had gekregen.

Meer over