PoëzieGoed&Slecht

Vanuit een dierlijk perspectief kun je prachtig dichten (of niet)

Arjan Peters leest over mens en dier bij Ineke Riem en Hans Faverey.

Arjan Peters
null Beeld Getty, bewerking Studio V
Beeld Getty, bewerking Studio V

Een voorstel van dichter Ineke Riem in ‘Perspectieven’, gepubliceerd in Tirade (nr. 477; Van Oorschot; € 12,50):

‘Het zou je goed doen als je een libel werd
en met facetogen de veelkantige avond bezag.

De blaadjes van de wilgen ritselen meertalig.
de wind blaast door drie dimensies tegelijkertijd

(wie weer meer) en in de vijver zwemmen
John en Yoko nooit ver bij elkaar vandaan.

Op de plek waar je vorig jaar bent gevallen
is iets blauws gaan bloeien. Misschien was jij het niet

die toen brak, maar waren het dode takken.
In oude tuinen graven mollen pijn op, maar

als je loswiekt uit je hersenschemer (op je nieuwe
glazen vleugels) zie je kristalhelder

dat onze zonnen tegelijkertijd ondergaan en
onze manen nooit ver bij elkaar vandaan staan.’

Daar ben je dan mooi klaar mee. Wat eerst nog een aanlokkelijk idee lijkt, verruiming van het blikveld en loswieken uit de schemer om overzicht te verkrijgen, mondt uit in een klef besef van nabijheid. Als dát de opbrengst is van het libelleperspectief, dat we welbeschouwd vlak bij elkaar leven, zoals John en Yoko (hu!), laat dan die facetogen maar zitten.

Een ander dierlijk gedicht is van Hans Faverey (1933-1990) en werd vorig jaar in zijn nalatenschap aangetroffen door Marita Mathijsen, die het met vijf andere onbekende teksten bundelde in Verdwijningen (Avalon Pers; € 15). Hoe je met een minimum aan woorden een maximum aan spanning kunt krijgen:

‘Langzaam; dat moet.

De roeipoten: ingeklapt.
De spraakpoten: toegespitst.
De reflektor: gericht.

De kontakten: hitsig.
Het geheime voorwerp:

dodelijk.’

Bij roeipoten denk je aan watervlooien, bij dat dodelijke voorwerp aan een angel dus een vliesvleugelige. Maar ik dacht ook aan een schrijver (die geduldig waarneemt, en dan toeslaat) of een lezer (die zich open moet stellen om getroffen te kunnen worden).

Het gedicht is raadselachtig en onverwacht hardhandig, dat is er ook zo mooi aan. Het laatste woord is een knal.
Dit is gevaar dat je zelfs met facetogen niet aan ziet komen.

Meer over