Boeken

Van zijn moeder hoefde Baudelaire weinig liefde te verwachten, lezen we in deze fraaie selectie uit zijn brieven ★★★★★

null Beeld Typex
Beeld Typex

De Franse dichter Charles Baudelaire had, zacht gezegd, een moeizame relatie met zijn moeder. Bij zijn 200ste geboortedag vertaalde Kiki Coumans voor het eerst een ruime selectie uit zijn brieven, met glansrijk resultaat. Ook twee vertalingen van zijn poëzie zijn zeer de moeite waard.

Grote, mannelijke dichters lopen haast altijd aan de leiband van hun moeder. Wat ze ook doen om die af te leggen, hoe ze ook proberen te vluchten, ze zullen door de wereld gaan als een hond aan een lange lijn, schrijft Milan Kundera in het nog immer geweldige Het leven is elders. Er zijn er heel wat geweest die het hebben geprobeerd. Aan de lange lijst met lyrici die aanvangt met Hölderlin, Poesjkin, Shelley en Lermontov, en die via De Nerval, Wilde, Rimbaud, Jessenin, Blok, naar Rilke en Trakl voert, voegt de Tsjechische auteur ook Charles Baudelaire toe. En niet zonder reden. Dan ben je 40, schrijft Kundera met de Franse dichter in gedachten, en nog altijd bang voor je moeder!

Met de brieven van Baudelaire, waarvan nu voor het eerst een ruime selectie in het Nederlands is vertaald, wordt eens te meer duidelijk hoezeer Kundera’s observatie klopt. Op 6 mei 1861 schrijft de net 40 geworden dichter aan zijn moeder: ‘Jij bent de enige aan wie mijn leven hangt.’ En negen jaar eerder schreef hij aan zijn curator een zin die zijn hele correspondentie in een notendop samenvat, zij het wat oneerbiedig: ‘Ik heb alleen mijn pen en mijn moeder.’ Dat eerste was zeker het geval, over dat laatste kan men twijfelen. Want als iets duidelijk wordt uit de keuze die vertaler Kiki Coumans heeft gemaakt, is het wel hoezeer de dichter zijn best deed de moederliefde te winnen, terwijl die pogingen steevast op een kil onthaal konden rekenen. Op een bepaald moment liet zijn moeder hem zelfs weten, al was het via via, dat ze eraan hechtte ‘gebrouilleerd te blijven’.

Kinderlijk berouw

De vernederingen begonnen al vroeg. Als 12-, 13-jarige schreef hij al brieven die opmerkelijk rijp van toon zijn, maar waarin vooral een kinderlijk berouw over het eigen gedrag spreekt. Keer op keer moet de jonge Charles zijn berispt door zijn moeder en stiefvader vanwege slecht gedrag en luiheid, want telkens weer luidde de belofte: ik ga nog harder werken, zodat jullie kunnen zien dat jullie zoon jullie zorgen erkent. Zijn moeder deed er dan een schep bovenop, door via zijn broer te laten weten dat hij zijn slechte gedrag, zijn neiging tot uitstellen en losbandigheid moest afleren. Het heeft iets beklemmends, al die familiale pogingen om het wilde, dichterlijke dier in Baudelaire te domesticeren. Twee van die pogingen kostten hem zelfs bijna de kop.

Op zijn 5de had Baudelaire zijn vader verloren. Hij kreeg er een generaal voor terug. Critici en filosofen, onder wie Jean-Paul Sartre, zijn mateloos gefascineerd geweest door de moeizame ­relatie die Baudelaire onderhield met deze generaal Aupick. Hij dwong zijn 20-jarige stiefzoon op zeereis te gaan naar India, om zo zijn gedrag te corrigeren. India zou Baudelaire overigens nooit bereiken. Vanuit Mauritius keerde hij terug naar Frankrijk, doodgemoedereerd en met een waanzinnig mooi gedicht, L’Albatros, waarna hij de reis voortdurend zou opvoeren in de mythen die hij creëerde rond zijn persoon.

De tweede poging hem te temmen was veel rampzaliger. Baudelaire, die onophoudelijk nieuwe hemden en jassen liet maken, had bij menig kleermaker schulden uitstaan. Op een zeker moment – Baudelaire was 23 en had recht op zijn deel van de erfenis die zijn vader had nagelaten – was de maat vol voor generaal Aupick. Hij liet Baudelaire onder curatele stellen, iets waartegen de dichter zijn leven lang heeft gevochten (#FreeBaudelaire bestond nog niet en had waarschijnlijk ook geen zier geholpen). Opmerkingen als ‘ik hou veel van deze vader’, die hij aan zijn moeder richtte, mogen we dan ook met een korreltje zout nemen. Het zijn amechtige pogingen om bij haar in het gevlij te komen en geld los te peuteren.

Charles Baudelaire Beeld Getty
Charles BaudelaireBeeld Getty

Gedichten

Moest hij het bepaald niet van zijn familie hebben, ook de Franse maatschappij was Baudelaire weinig welgezind. Toen Les Fleurs du mal uitkwam in 1857, leidde dat vrijwel direct tot een proces tegen de dichter: de bundel zou ‘een regelrechte belediging van de wetten die het geloof en de moraal beschermen’ zijn. Ook toen had je al pietluttigen die hun persoonlijke moraal aan de literatuur wilden opleggen. Maar de poëzie is groter dan zij zijn, ze laat zich niet knechten. Baudelaire moest weliswaar zes gedichten schrappen, maar voegde er liefst tweeëndertig toe. Daarmee creëerde hij een meesterwerk. Met Flauberts Madame Bovary én, zoals Wolfgang Matz onlangs in een mooi boek uiteenzette, met Adalbert Stifters Der Nachsommer zou het tot de drie epochale werken van de moderne Europese literatuur gaan behoren. Onlangs verschenen opnieuw de mooie vertalingen die Menno Wigman ooit maakte van helaas maar enkele gedichten uit Les Fleurs du mal. Ze zijn, met zelfs het eindrijm in de vertaling behouden, nog altijd de moeite van het lezen waard.

Ondertussen kon de moeder van Baudelaire bij al dit onrecht weinig voor hem betekenen. Hij verweet haar sowieso al geen begrip te hebben voor zijn poëzie, en had daarin geen ongelijk. In dat opzicht is het interessant om Het spleen van Parijs te lezen, dat dit jaar in de geheel herziene vertaling van Jacob Groot verscheen bij Voetnoot (toch een beetje de Baudelaire-uitgeverij). Deze bundel geweldige prozagedichten, opgeluisterd met hedendaagse surrealistische illustraties van de Tsjechische kunstenaar Miro Svolík, bevat een behoorlijk suggestief verhaal over een moeder wier zoon zelfmoord pleegt. ‘Het is even moeilijk je moeder zonder moederliefde voor te stellen’, schrijft Baudelaire daarin, ‘als een licht zonder warmte; is het dan niet volstrekt gerechtvaardigd alle daden en woorden van een moeder met betrekking tot haar kind aan moederliefde toe te schrijven?’

Alles wordt in het werk gesteld om de moeder het zicht te beletten op de strop waaraan de jongen zich heeft opgehangen. Zij wil op haar beurt maar één ding: het touw bemachtigen. Wat haar nog lukt ook. En plots begrijpt Baudelaire dat hij is misleid door ‘de natuurlijkste van alle illusies’: de moederliefde. Zij gaat met het touw aan de haal om, al zegt de dichter het niet met zoveel woorden, het aan de volgende te overhandigen.

In een geschiedenis over boze moeders, die in elk geval hoofdstukken zal moeten bevatten over de schilder Giovanni Segantini en over de psychoanalyticus André Green, mag ook een hoofdstuk over Baudelaire niet ontbreken. Hoe dan ook loont het de moeite om tegen deze achtergrond nog eens terug te keren naar Les Fleurs du mal. Want wat kun je een kille moeder beter geven dan een bos ziekelijke bloemen?

null Beeld De Arbeiderspers
Beeld De Arbeiderspers

Charles Baudelaire: Mijn hoofd is een zieke vulkaan. Uit het Frans vertaald door Kiki Coumans. De Arbeiderspers; 360 pagina’s; € 27,50. ★★★★★

null Beeld Voetnoot
Beeld Voetnoot

Charles Baudelaire: Het spleen van Parijs. Uit het Frans vertaald door Jacob Groot. Voetnoot; 174 pagina’s; € 35. ★★★★☆

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus

Charles Baudelaire: De bloemen van het kwaad. Uit het Frans vertaald door Menno Wigman. Prometheus; 136 pagina’s; € 19,99. ★★★★☆