'Van wat ik lekker vind, wil ik anderen laten proeven'

Interview..

Van onze medewerkster Floortje Smit

Toronto ‘Ik ben als een kok. Ik voeg een snufje kerrie toe, wat zout en’ Regisseur Jean-Pierre Jeunet doet alsof hij een vinger in een pan stopt en daarna in zijn mond. Hij smakt. ‘Voilà. Als ik het lekker vind, dan wil ik het andere mensen ook laten proeven.’

Als Jeunet vertelt over zijn werkproces, dringt het idee van een experimentele kookliefhebber zich telkens op. Delicatessen, Amélie, en nu weer Micmacs à Tire-Larigot: hij begint met het verzamelen van ingrediënten die hij lekker vindt en klutst die lukraak door elkaar. ‘Voordat ik ga schrijven, samen met scenarist Guillaume Laurant, gooi ik alle losse ideeën en aantekeningen die ik in de jaren verzameld heb en interessant vind, in een doos. Als die vol is, beginnen we aan het script’, vertelt hij vlak na de wereldpremière in Toronto.

Wat er voor Micmacs, een film over een groepje outcasts die het op idiote manieren opnemen tegen twee wapenfabrikanten, in de doos zat? In willekeurige volgorde: het idee iets te willen doen met een groep buitenbeentjes. ‘Buitenaardse wezens dacht ik eerst. En Toy Story was een inspiratiebron.’ Een oud grapje met een suikerklontje dat dertien jaar geleden bedacht werd voor een film die er nooit kwam. Een Clint Eastwoodachtige conflictsituatie. Slapstick. Die mechanische wezens, die hij bij een kunstenaar in Montmartre had gezien. Het idee een film te beginnen met een einde. En natuurlijk het verhaal van de Fransman, die sinds de jaren zestig leeft met een kogel in zijn hoofd. ‘Echt. Tegenwoordig zwemt hij een keer per jaar het Kanaal over!’

Net als zijn personages wordt Jeunet gedreven door een soort kinderlijke verbazing. Hij creëert volwassen vertellingen in heldere kleuren, ergens op het snijvlak van realisme en sprookjes. Boordevol zijlijntjes en visuele grappen, en met acteurs met gezichten van elastiek.

Dat ‘het monster’ tegen wie zijn hoofdpersonen het dit keer opnemen twee wapenfabrikanten zijn, is ook eerder het gevolg van verwondering dan van woede. ‘Tijdens de montage van The City of the Lost Children werkten we vlakbij zo’n fabriek. Die mensen waren zo vreselijk aardig. En ik dacht: dat is vreemd, ’s avonds gaan ze naar huis, kussen ze hun kinderen goedenacht en overdag ontwikkelen ze dingen die dood en verderf zaaien. Toen ik later een rondleiding kreeg in een wapenfabriek in België bleken ze ook heel enthousiast over hun producten. Zoals een soort raket, waarmee ze de temperatuur in een tank zo hoog konden maken dat iedereen erin zou sterven. Maar ze legden alles uit zoals ze dat in een chocoladefabriek zouden doen. Alsof ze zich niet realiseerden wat ze maakten. Veel van hun teksten zijn letterlijk in de film gekomen.’

En dan dringt een idee zich op: zou het toeval zo’n grote rol spelen in zijn films, omdat ze ontstaan door veel toeval? Zoals hij bij toeval naast een wapenfabriek werkte? Zoals Danny Boon de hoofdrol overnam van een andere acteur, een paar weken voor zijn grote doorbraak in Bienvenue chez les Ch’tis? Zoals Audrey Tatou voor Amélie de actrice Emily Watson verving op het laatste moment?

Jeunet wijt zelfs zijn grootste succes aan vooral een gelukkige samenloop van omstandigheden. ‘Als ik Amélie weer zie, denk ik altijd: dat is lang niet slecht. En het zal moeilijk zijn om dat soort inspiratie weer te krijgen. Het moment was magisch: alles, elk detail viel op de juiste plaats. Waarom? Geen idee. De stand van de sterren misschien, maar het was perfect.’

Meer over