VAN VLEES EN BLOED

Een golfje existentialisme trekt door de tentoonstellings-zalen. In Leuven loopt een manifestatie over de lijdende mens, in Düsseldorf is zelfs sprake van artistieke horror....

DOMENIEK RUYTERS

Het is geen prettige kennismaking. Te zien een figuur, meer schreeuw dan mens, met de tronie van een waanzinnige. De persoon zit gekooid, zo lijkt het althans, voor een effen donkere achtergrond die het gevoel van beslotenheid alleen maar versterkt. De schreeuw is er een van extreme agressie, maar net zo goed van wanhoop en oneindig leed. Alsof de geest per direct weg wil uit de gevangenis die het lichaam is gebleken te zijn.

Bacon is een schilder van het type ‘van dik hout zaagt men planken’, ondanks zijn fluwelen toets. Op het overzicht van zijn schilderijen in het museum K20 in Düsseldorf verwonder ik me over de eenduidige gruwelijkheid ervan. Het is horror en ellende in een zich eindeloos repeterend patroon van min of meer overeenkomstige situaties. Steeds weer verwrongen figuren, zittend, staand, of liggend, in een kooi of achter een afrastering. Steeds weer die schreeuw of worsteling, waarbij de figuren oplossen in de omgeving. Mens wordt dier wordt lichaam, ding onder de dingen, een hoopje lillend vlees.

Er zijn boeken over Bacon volgeschreven, op grond van zijn uitspraken over geliefde kunstenaars en inspiraties, maar in K20 lijkt dat verleden volkomen irrelevant. Velázquez, Van Gogh, Picasso, crucifixen en triptieken, het kan me geen barst schelen. Ik zie vooral een bourgeois interpretatie van een splatter movie. Een roodpluchen slachthuis.

In Düsseldorf vormt Bacon de spil van de Quadriennale 06, een manifestatie waarin, zoals het ietwat belegen klinkt, ‘het lichaam in de kunst’ centraal staat. Der Oberbürgermeister zelf heeft vijf miljoen euro uitgetrokken voor een kunstfeestje dat zijn weerga niet kent. In alle musea en dat zijn er nogal wat in de op een na rijkste stad van Duitsland, zijn grote tentoonstellingen ingericht: Francis Bacon in K20, Caravaggio in Kunstpalast, Bruce Nauman in NRW-Forum Kultur und Wissenschaft, Berlinde de Bruyckere en Martin Honert in de Kunsthal, Teresa Margolles in de Kunstverein. Binnenkort opent ook nog een groot overzicht van Juan Munoz in K21.

Düsseldorf schijnt gefrustreerd te zijn over het feit dat het gepasseerd is bij het afgelopen WK voetbal. Tegelijkertijd is de stad verwikkeld in een heftige culturele concurrentiestrijd met het nabijgelegen Keulen (wél WK-stad), dat zich met steeds meer succes profileert als de enige echte kunsthoofdstad van het Rijnland. De trotse Landeshauptstad moest en zou daar iets tegenoverstellen, al was het alleen om het moreel van de eigen bevolking hoog te houden. De musea, niet verlegen met wat extra geld, waren graag bereid hun programma erop aan te passen. Aangezien Caravaggio al lang gepland stond, werd besloten voor al dat geld exposities te verzinnen die met ‘het lichaam’ te maken hadden.

Erg diep lijkt er niet over het thema te zijn nagedacht, maar toch wordt het op z’n Duits gefundeerd, inclusief een tweedaags wetenschappelijk symposium. In een begeleidend schrijven wordt het beeld geschetst van een wereld die op drift is geraakt, maar ‘wanneer alles onzeker is geworden is er een ding dat ons allen verenigt: dat ieder van ons een lichaam heeft.’ Voor wat dat waard is, blijkt direct, want een regel verder staat: ‘over wiens lichamelijkheid kunnen we het eigenlijk nog hebben?’

Kijkend naar Bacon wordt iets duidelijk van deze twijfel bij de organisatoren. Zijn figuren, half mens, half dier zijn lichamen, en er zit ook leven in, tenminste meestal, maar vraag niet wat voor leven en al helemaal niet van wie. Het is nog het best te betitelen als leven op zich, uitgekleed, zonder franje, ontdaan van elke individualiteit en karakter, naakt.

Düsseldorf staat niet alleen in deze plotselinge interesse in het naakte bestaan. In Berlijn was er afgelopen voorjaar al de meest ‘existentiële’ biënnale in jaren, er was een grote tentoonstelling over melancholie in Parijs en Berlijn, in PS 1 in New York opende onlangs Into Me/Out of Me, een grote tentoonstelling over het lichaam als drager en filter van ervaringen die doorreist naar KW Berlijn, de komende Documenta heeft het uitgeroepen tot een hoofdthema en in Leuven loopt momenteel een grote manifestatie over de lijdende mens, onder de titel: Mens: verhaal-van-een-wonde.

Het lijkt wel alsof tentoonstellingsmakers en masse het lichamelijke in-de-wereld-zijn bezig zijn te herontdekken. Een golfje existentialisme trekt door de tentoonstellingszalen, met kunst die een substantieel ander mensbeeld verspreidt dan we jarenlang gewend waren. Werd in de jaren negentig nog de almacht van het kunstmatige leven hoog gehouden, in beelden van extreem doorgevoerde plastische chirurgie, ambigue lichaamscultuur en robotica, nu wordt een dieper wezen gezocht, voornamelijk in het eigen lichaam.

Van een talig product van (hightech) cultuur, dat functioneert in een slimme wisselwerking met de omgeving, wordt de mens weer gerepresenteerd als een subject van vlees en bloed, eigenwijs en ondoorgrondelijk en gestuurd door particuliere stemmingen en driften waar hij maar weinig controle over heeft. Het lijkt, als we de tentoonstellingen moeten geloven, alsof de mens weer vooral gewoon mens moet zijn, met een innerlijk leven, met emoties en pijn en liefst met lekker veel menselijk tekort.

Zult u zeggen: dat wisten we toch al van de voorbije Documenta’s en biënnales waarin het lot van de mens breed uitgemeten werd. Maar dat was een afstandelijk soort lijden van anderen van elders, meestal uit niet-westerse regio’s. Dit keer slaat de kunst op onszelf terug, wij rijke mazzelaars, die zojuist toen we de tentoonstellingszaal binnenliepen nog genoten van het luxe leventje van de welgestelde hoger opgeleide, in de wetenschap dat we ouder zouden worden dan enige generatie voor ons en mede daarom massaal in enquêtes aangaven dat we volmaakt gelukkig zijn. Pijn van het leven? Nooit van gehoord.

Wat willen de tentoonstellingsmakers ons duidelijk maken met hun plotselinge existentiële interesse? Willen ze ons misschien een depressie aanpraten, terwijl het net zo lekker ging? Is er sprake van een oplevend religieus besef in het tentoonstellingswezen, met aanverwante levensvisie, zoals die op wel meer plekken in de maatschappij opspeelt? Waarom deze kritieke aarding, deze zoektocht naar het wezen van het bestaan, die erop gericht lijkt de lijdensweg die het leven is, bloot te leggen? Het blijft gissen op de Quadriennale, bij gebrek aan helder standpunt.

De atheïst Bacon zet de toon met een cynisch exposé over postchristelijk lijden dat door en door nihilistisch van toon is. Zelfs pausen zetten het bij hem op een schreeuwen, alsof ook deze plaatsvervangers van god op aarde elk geloof in verlossing uit het aardse lijden zijn kwijtgeraakt. Van lijden met zin, in de beste christelijke traditie, is in Düsseldorf geen sprake. Of het zou, met wat goede wil, Bruce Nauman moeten zijn, bij wie het getergde lichaam fungeert als instrument van eenvoudige, zelfverrijkende waarnemingen. Maar zelfs zijn simpele experimenten krijgen in de context van Bacon iets nihilistisch. De video’s waarin hij in zijn studio zich eindeloos in een hoek laat vallen of over een kader op de studiovloer aanstellerig rondjes loopt, lijken zelfs letterlijk gebaseerd op Bacons claustrofobische portretten.

Berlinde de Bruyckere (1964) en Teresa Margolles (1963) tonen zich een volwaardige hedendaagse evenknie van Bacon. De Belgische De Bruyckere, bekend van opgezette kadaverachtige paardenlichamen die liggend of hangend worden geëxposeerd, pakt in de Kunsthalle uit met enkele enorme gietijzeren lantarenpalen waaraan een paard en enkele roze mensachtige wezens vastgeknoopt zitten, bij wijze van hedendaagse crucifixen. Hun gillende lijden wordt eigenaardig genoeg verdrongen door de akelige stilte in de installatie van de Mexicaanse kunstenaar Margolles, een verdieping hoger in de Kunstverein. 127 Stukjes bebloed koord hangen in een lange lijn door de ruimte, als een soort minimalistische sculptuur. In koeienletters staat op de muur geschreven dat het bebloede koord afkomstig is uit Mexicaanse mortuaria waar met het garen 127 lijken na autopsie zijn dichtgenaaid.

Het blijkt een van Margolles’ braafste werken te zijn. Eerder exposeerde ze een installatie met bloed en water uit het lijkenhuis dat verdampt werd en zich mengde met de lucht in de tentoonstellingszaal. Zonder het te weten zat het publiek Mexicaanse lijken in te ademen.

Als ik buiten op een terras zit bij te komen van de artistieke horror, zie ik hoe drie politieagenten een vieze oude dronkaard met zachte hand wegvoeren uit het winkelgebied om de hoek bij de musea. Het incident maakt duidelijk hoezeer ons westerse consumptieparadijs geen openbaar leed verdraagt, en bezig is het volledig uit te bannen. Ik vraag me af of deze verknipte omgang met het lijden wellicht het kritische punt van de tentoonstelling zou kunnen zijn. Dienen deze tentoonstellingen misschien als een moralistische correctie op de consumptiemaatschappij en haar breed uitgedragen beeld van oneindige en onmiddellijk beschikbare perfectie? Biedt de Quadriennale omgekeerd misschien een handige artistieke aflaat voor ons asociale consumptiegedrag? Helemaal duidelijk wordt het niet.

Dan Leuven, de tentoonstelling Mens: het-verhaal-van-een-wonde. Het initiatief ligt bij de Belgische bisschoppen, en die winden er geen doekjes om: de mens is in essentie ‘gebroken’, heet het in een tekst, en dus zullen we, of we willen of niet, ermee moeten leren omgaan. De kerk, specialist in groot leed, doet graag een voorzet, dit keer in de vorm van een tentoonstelling. Bij gebrek aan eigen deskundigheid is de samenstelling van de tentoonstelling uitbesteed aan het Gentse museum het SMAK, dat werk van onder anderen Joseph Beuys, Sergeij Bratkow en Ron Mueck naar Leuven haalde en op diverse plaatsen in de stad installeerde, waaronder veel kerken.

De expositie biedt een catalogus in martelaarschap, met de lijdende mens in alle soorten en maten. Vet en onthoofd (wassen beeld van John Isaacs), dood en verlaten (kleien lijk van vluchteling van Anno Dijkstra), werkloos en gemarginaliseerd (Gentse videoportretten van Lien Nollet en Fabien de Lathouwer), eenzaam en depressief (videoportret van depri broer van Ingrid Wildi). Leuven toont zich daarbij stukken minder confronterend dan de Quadriennale in Düsseldorf, wellicht door de enorme hoeveelheid video’s en documentaires die het leed op veilige afstand houden. Slechts enkele werken weten te raken, met voorop Mouths of Ash van Juan Manuel Echevarria, een video waarin Zuid-Amerikaanse dorpelingen zingend verslag doen van tragische slachtpartijen in hun dorp, met de tranen in hun ogen.

Het SMAK geneert zich een beetje voor zijn betrokkenheid bij dit onvervalste staaltje van hedendaagse kerkelijke marketing. In de publiciteit wensen de curatoren liever te spreken van een tentoonstelling over de hedendaagse condition humaine en proberen een al te hoog opspelende religiositeit enigszins de kop in te drukken. Tegelijkertijd is het juist de religieuze ondertoon van de manifestatie die het lijden in Leuven richting geeft, zeker in vergelijking met het seculiere Düsseldorf, waar het gewonde lichaam volledig de weg kwijt is, zoals dat hoort bij goddeloosheid. De ironie daarbij is dat het lichaam in Düsseldorf meermalen aan het kruis genageld wordt, terwijl een kruisigingscène in de kruisweg die de tentoonstelling Mens met al zijn verschillende locaties feitelijk biedt, compleet ontbreekt.

En zo gaan op deze manifestaties rond het gepijnigde lichaam de afvalligen met de christelijke symboliek aan de haal en meten de religieuzen zich maar wat graag een seculier jasje aan in de hoop wat zieltjes te winnen voor de goede zaak. Voor het lijdende lichaam zelf dat, zo beweert iedereen in koor, van ons allen is, maakt dat overigens niet veel uit. Dat deed en doet zeer.

Meer over