Van oude mensen die niet echt oud zijn

Zo simpel zou theater eigenlijk moeten zijn. Dat je Mary Dresselhuys, die bij de première van Oude Mensen op de eerste rij zat, op toneel zou kunnen zetten om haar de rol van de 97-jarige Mevrouw Dercksz te laten spelen....

De rol van Mevrouw Dercksz wordt bij Het Nationale Toneel gespeeld door Elisabeth Andersen, die ook al bijna tachtig is, maar een stuk jonger oogt. Andersen is een groot actrice en beschikt bovendien over de mooiste toneelstem van Nederland, maar ze is in heel haar wezen te levend en te levendig, te aanwezig zeg maar, om de transparante mevrouw Dercksz tot leven te wekken - hoe ze ook probeert met breekbare, slepende stem een stokoude dame te spelen.

Daar komt nog bij dat Andersen hoe dan ook heeft te maken met de erfenis van Caro van Eyck, die de rol van Mevrouw Dercksz in de televisieserie Van Oude Mensen, de Dingen die Voorbijgaan uit 1975 speelde. Ze zou net als Van Eyck droge tranen moeten huilen, omdat ze te oud is voor echte tranen. Haar gezicht zou van perkament moeten zijn, haar aanwezigheid bijna doorschijnend. Maar Elisabeth Andersen is een kwieke dame, en de twee oude mannen om haar heen (Joop Doderer en Ton Kuyl) zijn al even kras.

Als zij met z'n drieën boven in het decor van Oude Mensen zitten, denk je eerder aan een gezellige bridgeclub in een chic bejaardenhuis dan aan personages van Couperus die op sterven na dood zijn, naar die dood verlangen om verlost te zijn van het grote geheim dan hun leven heeft bepaald.

Dat geheim in Oude Mensen, Willem Jan Ottens bewerking van Couperus' roman, is van meet af aan duidelijk. Meneer Takma, de minnaar van mevrouw Dercksz, heeft zestig jaar geleden in Indië haar echtgenoot vermoord. Het was een crime passionel waarbij ook dokter Roelofsz was betrokken. Die gruwelijke daad heeft deze drie mensen een leven lang achtervolgd, tot in de bovenkamer van de Haagse villa aan toe. Daar komen ze op hun oude dag bijna dagelijks bijeen om er slechts te fluisteren over het verleden. Vooral mevrouw Dercksz is ervan overtuigd dat de familie haar verleden en haar angsten zal erven.

In Couperus' roman is die doem alom aanwezig, in de voorstelling van Het Nationale Toneel niet. Beneden in het huis is het een komen en gaan van familieleden die weliswaar over geheimzinnige zaken praten, maar daar niet echt van wakker lijken te liggen. Regisseur Ger Thijs heeft consequent een lichte toon aangeslagen - licht is het spel, licht zijn de kleuren, licht is het toneellicht, maar al dat licht werkt lijnrecht tegen de tragiek van deze mensen in.

Was Thijs maar minder bevreesd geweest voor zwaarmoedigheid, was zijn voorstelling maar dieprood en grijs geweest, waren zijn personages maar miezerig zoals het weer in Den Haag. Misschien waren de fantomen uit het verleden dan ook in de zaal voelbaar geweest.

In de bewerking van Willem Jan Otten heeft iedereen zo zijn eigen manier om met het familiegeheim om te gaan. Aldus schetst hij een helder beeld van de verschillen in een familie en kan hij en passant zijn eigen stokpaardjes over schuld en boete en de erfelijkheid daarin kwijt.

Helaas is in dit ensemble niet iedere acteur in staat die eigenheid tot in de puntjes uit te spelen. Edda Barends is als Ottilie vooral een mevrouw die malle hoeden koopt in De Bonneterie, terwijl Lou Landré juist schitterend gestalte geeft aan Anton Dercksz, de man die met zijn voorkeur voor 'tegennatuurlijke zaken' een eenling is en zijn eigen geheim meedraagt. Het niveau van acteren varieert van dik aangezet en vrolijk tot verstild lijden.

Het toneelbeeld van Rien Bekkers wordt gedomineerd door een grote trap die de onderwereld van de familie en de bovenwereld van de drie Oude Mensen met elkaar verbindt. Die trap verwijst naar de Orfeus-mythe, want achterom kijken kan hier dodelijk zijn. De scènes boven en onder worden simultaan gespeeld, wat de continuïteit niet ten goede komt. In dit va-et-vient zegt iedereen een paar zinnen om na enkele korte dialoogjes weer te vertrekken.

Mede daardoor blijven het personages die uit een roman zijn gekropen en eenmaal op het toneel niet tot leven komen. Het worden geen karakters, en dat is toch de essentie van dit soort toneelspelen.

Oude Mensen heeft de allure van Ger Thijs' vorige Couperus-stuk Kleine Zielen en is gemaakt vanuit diezelfde hang naar mooi, groot en toegankelijk toneel. Dit keer ontbreekt echter het magistrale ensemblespel, de wervelende zwierigheid en vooral de duizelingwekkende diepte en dramatische kracht.

Oude Mensen kabbelt drie uur voort en gaat gewoon voorbij. 'Zoveel oude mensen op één dag, ze beklemmen me', zegt de jonge Lot in het begin. Was het maar waar, hadden we die beklemming maar gevoeld.

Meer over