Van Morgenrood naar avondschemer

Stapt de VARA uit het publieke omroepbestel of niet? De beslissing is nog even uitgesteld. Want ook de politiek wil er zijn zegje over doen, al bestaan er formeel geen banden meer tussen Partij van de Arbeid en de Vereniging Arbeiders Radio-Amateurs....

ER WAS EEN TIJD dat de band tussen VARA en PvdA exact aanwijsbaar was. Mr. J.A.W. 'Jaap' Burger was van 1945 tot 1962 lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. En hij was VARA-voorzitter van 1949 tot 1967. Van 1951 tot 1967 - dus middenin zijn periode als VARA-praeses - was hij ook nog eens fractievoorzitter van zijn partij in het parlement. Náást Burger had de PvdA ook nog een 'kwaliteitszetel' in het VARA-hoofdbestuur (evenals het NVV, later FNV).

Formeel werden deze bestuursbanden in 1979 doorgesneden via een statutenwijziging. Dat was ook het moment dat André Kloos (ex-NVV-voorzitter) als voorzitter van de VARA aftrad en dominee Albert van den Heuvel (géén PvdA-apparatsjik) zijn zetel innam. In 1969 was er al een statutenwijziging geweest waarbij de VARA zich niet langer richtte op de specifiek sociaal-democratische zuil, maar op een breder, progressief publiek.

Tegenwoordig noemt de VARA zich 'een onafhankelijke, progressieve omroep' die zich richt op een breed publiek. Zij laat zich inspireren door sociaal-democratische en humanistische beginselen. Programma's worden onafhankelijk van commercie, belangengroepen of overheid gemaakt. Tot nu toe.

Maar formele banden of niet, in 1985 kwam er weer een onvervalst PvdA-politicus aan het roer: Marcel van Dam, ex-staatssecretaris en als Den Uyls kroonprins versmaad door zijn partij. Maar de dubbelfunctie die Burger nog zo gemakkelijk kon invullen, was nu onmogelijk geworden: Van Dam nam ontslag als Kamerlid. Hij werd voorzitter op grond van zijn bestuurlijke kwaliteiten, zei men. Hij was VARA's ombudsman geweest, staatssecretaris, minister (zij het zeer kort) en vice-voorzitter van de RSV-enquêtecommissie. En hij had ervaring in het maken van goede programma's, zoals De Achterkant van het Gelijk op tv en De Stand van Zaken voor de radio.

Maar toch had het, anders bij zíjn opvolger (Vera Keur in 1996), alles van een politieke benoeming. Toen Van Dam kwam, was ook de naam van André van der Louw gevallen. Die benoeming kon niet doorgaan omdat van der Louw, een minstens zo prominent PvdA'er als Van Dam toen niet uit Rijnmond weg wilde. Met een beetje goede wil had je een eventuele benoeming van Van der Louw als een tikje minder politiek kunnen zien: hij was immers vóór zijn politieke carrière VARA-perschef geweest.

De banden tussen VARA en PvdA waren altijd nauw. We lezen in het VARA-jaarverslag van 1960 hoe Dr. W. Drees tijdens een 'kaderweek' zijn visie geeft op het werk van de VARA. Hij laat 'speciaal tot uitdrukking komen hoe de VARA ernaar streeft om zowel in de radio als bij de televisie wat gemeenschappelijk kan, ook gemeenschappelijk te doen, daardoor de verzuiling doorbrekend in stede van deze te bevorderen.' Het was de tijd dat PvdA-voorzitter Evert Vermeer zijn wekelijkse felle radiocauserie 'Op de korrel' hield en Vrije-Volk-hoofdredacteur Klaas Voskuil ook elke zaterdagavond voor de microfoon plaats nam.

Na AVRO (1923) en NCRV (1924) is de VARA (1925) de oudste omroep van Nederland. De VARA werd opgericht door de journalisten Levinus van Looi en Gerrit Jan Zwertbroek. De grondslag was 'de geestelijke en zedelijke verheffing van de arbeidende bevolking'. De eerste uitzending was op 7 november 1925.

Het radiowezen was in Nederland begonnen met de zendlamp die ir. H. à Steringa Idzerda had ontwikkeld. In 1919 maakte Idzerda draadloos verbinding tussen zijn stand op de Utrechtse jaarbeurs en de Philips-vestiging in Utrecht. Idzerda, voor zijn vele bewonderaars 'Idz', was eigenaar van de Nederlandsche Radio Industrie, een fabiek van radio-apparaten. Er waren toen al veel amateurs die de 'aether' afsnuffelden naar zenders - in Engeland werd al sinds 1914 door de firma Marconi gesproken woord en grammofoonmuziek draadloos uitgezonden - maar meestal kregen ze niet veel meer dan krakende morsetekens op hun primitieve koptelefoons.

De eerste 'sponsor' van Idzerda was... het Britse dagblad Daily Mail. Het begón dus allemaal met reclame, maar dat was overduidelijk vóórdat de overheid zich met het nieuwe fenomeen begon te bemoeien. De Nederlandse regering reageerde, in vergelijking met bijvoorbeeld Engeland dat in 1923 meteen een nationale, publieke omroep, de BBC, instelde - merkwaardig traag en aanvankelijk vol onbegrip.

Idzerda's zender bleef tot 1924 functioneren en ook andere particuliere zenders stierven een snelle dood. Alleen de zender van de Hilversumse Nederlandsche Seintoestellen Fabriek bleef in de lucht, eigenlijk simpel en alleen omdat de capaciteit groter was; de anderen werden in feite uit de lucht gedrukt.

Deze NSF-zender kreeg steeds meer luisteraars. Er achter zaten: de Britse ingenieur G.A.White, de administateur F.C.W. van der Woord en de uit Nederlands-Indië teruggekeerde radio-telegrafist W. Vogt. Ze noemden zich Hilversumsche Draadloze Omroep (HDO). Ze vulden enkele avonden in de week en kregen van de NSF de zender gratis ter beschikking. Op andere momenten konden andere gegadigden de zender huren.

Uit deze HDO ontstond de 'Algemeen Vereeniging Radio Omroep', kort gezegd: AVRO. De na 1925 opgerichte NCRV, VARA, KRO huurden de NSF-zender op de schaarse momenten dat die niet door de AVRO werd gebruikt. De in mei 1926 opgerichte VPRO viel aanvankelijk buiten de boot. Opvallend in die begintijd was ook dat de nieuwe omroepen zelf geen zendvergunning bezaten; die huurden ze gewoon mee van de NSF.

Het ging slechts kort goed. In Engeland nam de overheid meteen de touwtjes strak in handen, ook al omdat daar veel (zwakke) zenders over het hele land functioneerden waar men al snel simultane uitzendingen op bracht. Er was geen sprake van dat daar verenigingen, zoals in Nederland, zo maar konden gaan uitzenden. In Nederland heerste dus al in de beginjaren de onduidelijkheid die in feite nooit meer overgegaan is; de overheid heeft eigenlijk nooit precies geweten wat ze met het fenomeen omroep aan wilde.

Tot 1928 wekten met name de VARA en de kleine VPRO de indruk dat ze niet meer wensten te zijn dan een 'bijzondere' tak binnen het kader van een nationale omroep naar het voorbeeld van de dan al bewonderde BBC. De KRO en de NCRV waren tegen zo'n nationale omroep, want deze instellingen wensten geen verantwoordelijkheid te dragen voor programma's waarover ze niet de volle zeggenschap hadden.

De AVRO, onmiskenbaar de grootste en populairste, stelde zich hautain op: aan al die andere omroepverenigingen was in feite geen behoefte, zijzelf wás immers de nationale omroep. De tegenstellingen groeiden. De AVRO zat in die tijd al in de Internationale Radio Unie en hield de buitenlandse programmagegevens strikt voor zichzelf en haar 'luistervinken'.

Kortom: er was veel geruzie en er kwam een heuse omroepstrijd, die door sommigen wel met de schoolstrijd uit de 19de eeuw wordt vergeleken. De AVRO wilde alles en organiseerde zelfs een petitie: 'De Ondergeteekenden, allen goede staatsburgers, zijn trotsch op een instituut, dat uit het volk zelf is opgebloeid. Dat instituut is de Algemeene Vereeniging Radio Omroep.' Zendtijd, zo stond er in, is haar 'historisch verworven bezit' en de AVRO diende een 'zendtijd van een volle week op een eigen zender en de beste omroepgolf' te krijgen

Een door de overheid ingesteld Radioraad moest een 'radioreglement' opstellen. Minister Reymer van Waterstaat hakte op 15 mei 1930 de knoop door. De vier groten kregen elk twintig procent van de totale zendtijd, de kleintjes (waaronder de VPRO) kregen samen vijf procent, terwijl de vier groten samen ook nog een 'algemeen programma' moesten vullen voor de overige 15 procent.

Daarmee had Reymer het advies van zijn eigen Radioraad aan de laars gelapt. Deze raad had de grote AVRO 26% van de zendtijd willen geven, tegenover KRO, NCRV en VARA elk 18%.

Dat zendtijdenbesluit maakte van de VARA op slag een grote omroep. Ze ging van één zendavond per week naar een heuse halve week. Ook KRO en NCRV waren niet ontevreden. De AVRO daarentegen was laaiend. De zelfbenoemde status van nationale omroep was de AVRO ontnomen. Willem Vogt, AVRO's sterke man, zou het zendtijdenbesluit zijn leven lang als grof onrecht beschouwen. Bij het 25-jarig jubileum van zijn AVRO in 1948 zette hij zijn grief zo op papier: 'De AVRO heeft zich altijd beschouwd en beschouwt zich nog als de Algemene Omroep, waar die uitwisseling van levensstromen, die eerbied voor andermans overtuiging, die vertolking van het algemeen Nederlandse, tot haar recht komen, welke aan ons volk als ideaal voor ogen staan. De AVRO meent en heeft altijd gemeend, dat er voor een splitsing op het gebied van cultuur en van het algemene leven geen aanleiding is. Zij wenst geen speciaal gedetermineerde omroepsfeer, waar verdelingen gelden die het leven zelf niet te aanschouwen geeft. De AVRO is in staat het nationaal-omroep-ideaal te verwezenlijken en zij heeft de pretentie dat het beste te kunnen, omdat zij over vijfentwintig jaar omroepervaring beschikt en over het personeel en materiaal, om dit ideaal terstond te kunnen omtoveren in werkelijkheid.'

De VARA begon klein, de grote tijd zou pas in de eerste naoorlogse jaren komen. Eind jaren twintig hadden veel VARA-leden, tevens getrouwe SDAP-ers, niet eens een eigen radiotoestel. Op hun schoorsteenmantel prijkte een busje waarin af en toe een losse cent of zelfs een stuiver verdween: voor de nieuwe studio. De VARA dankte met een troffeltje-met-inscriptie. Eind jaren dertig had je de Varadyne, een klein zelfbouwradiootje met een enorme bakellieten luidsprekerhoorn. Dat werd door een handige kennis onder grote belangstelling van het hele gezin in elkaar gezet. Oók een manier om de saamhorigheid van de VARA-familie te beklemtonen. Een saamhorigheid die steeds meer nostalgie lijkt.

Meer over