100 jaar Volkskrant

Van ‘mooi visitekaartje’ tot redactieraad: hoe vrouwen hun plek bij de Volkskrant veroverden

Verslaggevers van de Volkskrant overleggen over verhalen, begin jaren '80. Van links naar rechts Han van Gessel, Erna van den Berg, Yvonne Bakker, Maria Hendriks, Ina Ruijter, Ineke Jungschleger en Hub. Hubben Beeld Wim Ruigrok / de Volkskrant
Verslaggevers van de Volkskrant overleggen over verhalen, begin jaren '80. Van links naar rechts Han van Gessel, Erna van den Berg, Yvonne Bakker, Maria Hendriks, Ina Ruijter, Ineke Jungschleger en Hub. HubbenBeeld Wim Ruigrok / de Volkskrant

Toen Ineke Jungschleger in 1963 binnenkwam bij de Volkskrant gold er daar een één-vrouw-per-keer-beleid en werd ze ‘het meisje’ genoemd. Toen ze in 2003 met pensioen ging, kreeg ze een knuffel van een collega. Ze had ‘toch maar mooi de weg geplaveid’ voor jongere generaties vrouwelijke journalisten.

Degelijk mantelpak, haar in een knot, expres een grote leesbril op. ‘Tot de tanden bewapend’ was Ineke Jungschleger naar eigen zeggen toen ze in het voorjaar van 1963 op 20-jarige leeftijd voor het eerst de Volkskrant-redactie op liep. ‘Want ik was gewaarschuwd.’

Via de Regionale Omroep Zuid in Maastricht, waar Jungschleger verslaggever was, kende ze Richard Schoonhoven, correspondent voor de Volkskrant. ‘Jij wil toch naar Amsterdam? Ze zoeken bij de Volkskrant een nieuw meisje.’ Schoonhoven kon haar voorstellen. Maar: ‘De laatste twee meisjes vlogen eruit omdat ze het aanlegden met een getrouwde man.’ Jungschleger pauzeert. ‘Ik dacht: dat gaat mij mooi niet gebeuren.’

Ze zou uiteindelijk dertig jaar doorbrengen bij de Volkskrant, die deze week haar honderdste verjaardag viert: de reden dat we elkaar spreken. ‘Een eeuw op de eerste rang bij de geschiedenis’, zo luidt de jubileumslogan, naar de uitspraak dat journalistiek ook wel the first rough draft of history zou zijn. Wat daarbij soms over het hoofd wordt gezien, is dat degenen die geschiedenis schrijven het verhaal bepalen. In Nederland waren dat tot een halve eeuw geleden bijna uitsluitend mannen.

‘Ja hier – dit is een redactievergadering in mijn begintijd bij de krant.’ Jungschleger heeft een boek uit haar kast geplukt en opengeslagen bij een zwart-witfoto. Een zaal vol mannen, een stuk of vijfentwintig, allemaal in pak. Daartussen zijn de enige twee vrouwelijke journalisten nauwelijks te ontwaren: Ineke Jungschleger, half zichtbaar, en Ria Sitskoorn (nu Bremer). ‘Ria zat in Hilversum, ze schreef over de omroepen, dus ze was vrijwel nooit op de redactie.’

De eerste plenaire redactievergadering van de Volkskrant onder hoofdredacteur Jan van der Pluijm, mei 1964. Half te zien boven de schouder van de man net rechts van het midden is Ineke Jungschleger, twee hoofden verder rechts Ria Sitzkoorn (nu Bremer). Beeld Wim Ruigrok / de Volkskrant
De eerste plenaire redactievergadering van de Volkskrant onder hoofdredacteur Jan van der Pluijm, mei 1964. Half te zien boven de schouder van de man net rechts van het midden is Ineke Jungschleger, twee hoofden verder rechts Ria Sitzkoorn (nu Bremer).Beeld Wim Ruigrok / de Volkskrant

De hoofdredacteur die haar aannam, Joop Lücker, wilde het liefst helemaal geen vrouw op de redactie, zegt Jungschleger. Dat die er toch kwam, heeft volgens haar te maken met dat hij dan niet als ‘achterlijke katholiek’ beschouwd zou worden. ‘Een vrouw was een mooi visitekaartje.’

Marijke Vetter was in 1945 de eerste vrouw die als verslaggever bij de Volkskrant begon, direct bij de doorstart na de Tweede Wereldoorlog. Nadat zij opstapte in 1953 omdat de hoofdredacteur weigerde haar beter te betalen, hield de krant grotendeels vast aan het één-vrouw-per-keer-beleid. De enige vacature voor een vrouw was die van ‘leerlingjournaliste’, intern ‘het meisje’ genoemd.

Ook bij andere kranten was het in die tijd doodnormaal om vrouwen te weren. In veel gevallen mochten ze er hoogstens werken tot ze trouwden, daarna alleen nog als freelancer. Ook Henk Hofland, toenmalig hoofdredacteur van Het Handelsblad, wilde Jungschleger in 1968 alleen als freelancer hebben. ‘Helaas Ineke, we nemen geen vrouwen aan, zei hij tegen me. Waarom niet dan Henk, vroeg ik hem nog. Hij antwoordde: dat weet je toch wel. Vrouwen worden maar zwanger enzo.’

Honderd gulden minder

Het idee gold dat áls een vrouw werkte, ze dat hoogstens deed om wat bij te verdienen. Dat merkte Jungschleger toen ze haar eerste salaris kreeg, contant in een bruin zakje. ‘In mijn zakje zat 100 gulden minder dan was afgesproken’, vertelt ze. ‘Ik vroeg mijn chef Bob Bertina of het een fout was. Nee, zei ze, dat doet-ie altijd. Het meisje dat hier werkt moet van goeden huize komen, hij gaat ervan uit dat zij door haar ouders financieel wordt ondersteund.’

Haar voorgangers gebeurde hetzelfde. Marijke Vetter kreeg in de acht jaar dat zij bij de Volkskrant werkte niet één keer loonsverhoging. Als je als vrouw meer geld wilde, moest je het maar bijverdienen buiten werktijd. Maar aangezien ze bij de krant verwachtten dat je altijd voor de redactie klaarstond, was dat lastig. ‘Meisje voor dag en nacht’, werd het ook wel genoemd’, zegt Jungschleger. ‘Maar ik moest die freelanceklussen er wel bij doen, anders kwam ik niet rond met mijn huur.’

Na een jaar buffelen bij de krant kreeg Jungschleger een derde klasse salaris. Hoger werd het niet tot aan haar vertrek in 1968. Van toenmalig hoofdredacteur Jan van der Pluijm kreeg ze te horen dat dat er niet in zat. ‘Er waren te veel mannelijke leeftijdgenoten die kostwinner waren, zei hij.’ Op dat moment vond ze het ergens ook wel logisch. ‘Pas later besefte ik dat ik zelf ook kostwinner was, omdat mijn man nog studeerde.’

Een rubriek met vijanden

Jungschleger werd in 1963 aan het werk gezet bij Draaiboek, een culturele rubriek onder leiding van filmredacteur Bob Bertina. Vrouwen kregen bijna uitsluitend werk binnen een paar specifieke kaders: kunst en cultuur, mode, opvoeding, het koningshuis en de inhoud van de vrouwenpagina, áls die er al was.

Dat had ook te maken met het avondwerk op andere portefeuilles. Als vrouw mocht je geen nachtdienst draaien, dan zou je in onzedelijke situaties terecht kunnen komen. Haar chef wilde Jungschleger ook als secretaresse gebruiken, maar dat wist ze te voorkomen. ‘Ik trok zo veel mogelijk interessante klussen naar me toe; recensies, reportages en interviewtjes waarvoor ik het hele land doortrok.’

Ondertussen bleek de Volkskrant niet immuun voor de invloed van de woelige jaren zestig en de daarmee gepaard gaande ontzuiling en studentenprotesten. Hoofdredacteur Van der Pluijm voelde al snel aan dat krampachtig vasthouden aan de katholieke zuil hem lezers zou kosten. Bij de redactieverhuizing naar de Wibautstraat liet hij de onderkop ‘dagblad van het katholieke volk’ vallen.

Jungschleger bewees haar talent bij Draaiboek en kreeg in 1966 als 23-jarige de leiding over de nieuwe rubriek Dag in Dag uit. Het idee kwam van nieuwscoördinator Ferd Rondagh, een man met een progressieve blik. Voor de inhoud putte Jungschleger uit haar eigen contacten en uit het studenten-correspondentennetwerk van de krant. De Provoacties volgde ze op de voet.

Verslaggevers Martin Ruyter en Ineke Jungschleger bij een Provo-actie. Het jaar is waarschijnlijk 1967 Beeld Ineke Jungschleger
Verslaggevers Martin Ruyter en Ineke Jungschleger bij een Provo-actie. Het jaar is waarschijnlijk 1967Beeld Ineke Jungschleger

‘De speeltuin van de jeugd, noemde Van der Pluijm de rubriek’, zegt Jungschleger. Dag in Dag uit werd een fenomeen. Waar kranten als De Telegraaf en Het Vrije Volk de opstandige studenten wegzetten als oproerkraaiers, gaf de Volkskrant ze de ruimte. De seksuele moraal was een veel terugkerend onderwerp, maar bijvoorbeeld ook alles wat er mis was met de Vietnamoorlog en het koningshuis.

Het was voor het eerst dat er een Volkskrant-rubriek zo’n progressief geluid klonk, wat uiteindelijk toonaangevend zou worden voor de hele krant. Maar de rubriek maakte ook vijanden. Jungschleger heeft een ingelijste tekening bewaard met daarop een vrouw die achter haar bureau zit te typen. Haar romp is bloederig weggesneden. Een man loopt ermee weg in een zak over zijn schouder. Ze kreeg de tekening bij haar afscheid in 1968, van cartoonist Willem (Bernard Holtrop).

Een tekening van cartoonist Willem (Bernard Holtrop) voor het afscheid van Ineke Jungschleger Beeld Ineke Jungschleger
Een tekening van cartoonist Willem (Bernard Holtrop) voor het afscheid van Ineke JungschlegerBeeld Ineke Jungschleger

‘De man die wegloopt moet Van der Pluijm voorstellen, de vrouw achter het bureau ben ik’, zegt Jungschleger. ‘Maar het waren vooral de nachtchefs die ingrepen als ze het niet eens waren met de inhoud van de rubriek.’ Ze sneden er soms stukken uit nadat Jungschleger de rubriek al had ingeleverd. Met name de stukjes over seks en de tekeningen van blote lijven bleken de volgende dag verdwenen. ‘Dat zag ik dan pas als ik de krant opensloeg.’

Een kleine revolutie

Toen ze na twee jaar verantwoordelijkheid voor de controversiële rubriek alsnog niet beter betaald kreeg, besloot Jungschleger te vertrekken. Terwijl ze als freelancer in 1968 regelrecht de tweede feministische golf in dook, vond bij de Volkskrant een kleine revolutie plaats.

Van de eerste lichting afgestudeerde studenten van de nieuwe School van de Journalistiek, open voor mannen en vrouwen, nam de Volkskrant in 1969 in een klap dríé beginnende vrouwelijke journalisten aan. Die mochten ook over andere onderwerpen schrijven dan kunst of mode: er kwam een vrouw op de buitenlandredactie, op de politieke redactie en ook de portefeuille onderwijs en wetenschap werd toegewezen aan een vrouw. In de jaren erna zouden dat er langzaamaan alleen maar meer worden.

Toen Jungschleger in 1978 werd teruggevraagd bij de Volkskrant, kon ze bijna niet geloven wat ze zag. Tien jaar geleden was ze er vrijwel de enige vrouw geweest. Nu waren het er nog steeds niet heel veel, ‘een paar op de redactie, een collega in Den Haag. Maar het was een gewéldige verademing.’

De vriendschap tussen Jungschleger en twee collega’s, Maria Hendriks en Suzanne Baart, was snel beklonken. Baart, die in 1968 overkwam van De Telegraaf, schreef over sociale economie en vrouwenemancipatie. Maria Hendriks over onderwijs, wetenschap en gezin.

Rob Wout alias cartoonist Opland en onderwijsredacteur Maria Hendriks Beeld Wim Ruigrok/de Volkskrant
Rob Wout alias cartoonist Opland en onderwijsredacteur Maria HendriksBeeld Wim Ruigrok/de Volkskrant

Nog steeds was een groot deel van de redactie van mening dat er niet te veel ‘vrouwenonderwerpen’ in het ‘serieuze’ deel van de krant mochten. Om zaken als abortus, het pleidooi voor parttime werk of de opkomst van de blijf-van-mijn-lijfhuizen in de krant te krijgen, moest worden gepraat als brugman. ‘Han van Gessel placht te zeggen: weer een stuk over feminisme Suzanne? Dat hadden we vorige week ook al!’, zegt Baart. ‘Ja Han, zei ik, er is ook heel wat aan de hand.’

Omdat ze nog steeds maar met een handjevol waren, lag alles wat ze deden onder een vergrootglas. ‘Als één vrouw iets had geschreven wat minder goed was, werd automatisch gezegd: zie je wel, vrouwen kunnen niet schrijven’, vertelt Jungschleger. Voorafgaand aan vergaderingen spraken ze af om elkaars ideeën te steunen, omdat mannelijke collega’s anders alle aandacht kregen. Afgezien van een paar mannelijke medestanders op de redactie, golden nog steeds de wetten van de apenrots.

En niet alleen wat de inhoud van het werk betreft. ‘Als er vrouwelijke stagiairs op de redactie kwamen, dan werd hun uiterlijk aan de bureaus in detail besproken’, zegt Jungschleger. ‘Dat was heel gewoon.’ Dat was al zo toen ze zich als begin-twintiger moest handhaven op een redactie vol mannen. ‘Ik moest altijd denken: heb ik het bovenste knoopje van mijn blouse wel dicht? Had ik deze strakke trui wel aan moeten trekken?’

‘Je kon ze heus wel van repliek dienen’, zegt Suzanne Baart daarover. ‘Maar het was vermoéiend, elke keer weer gevat reageren op die flauwe grappen. Ik dacht man, kunnen we ons niet gewoon op het wérk richten?’ Er was maar een klein groepje waar je echt voor moest oppassen, vertelt Jungschleger, maar die spanning was bijna altijd aanwezig. ‘Als een man handtastelijk werd, gingen mensen er altijd van uit dat de schuld bij de vrouw lag. En je had soms te maken met mannen die een hogere status hadden bij de krant dan jij. Dat was een benarde positie.’

Als 19-jarige verslaggever voor de omroep maakte Jungschleger mee dat een oudere journalist ongevraagd met haar mee haar hotelkamer binnenliep. Ze moest hem eruit vechten. Het kleurde voorgoed haar blik op het contact met oudere mannelijke collega’s. ‘Achteraf stuurde hij me nog een excuusbriefje. Dat ben ik daarna nooit meer tegengekomen.’ Dit soort dingen werden eigenlijk nauwelijks besproken. ‘Het was toch gênant, zo voelde dat. Hoogstens waarschuwden we elkaar. Pas de laatste jaren horen we van elkaar hoeveel last we er eigenlijk van hadden. Wat dat betreft vond ik MeToo een gewéldige ontwikkeling.’

Doorbraak

Het eerste vrouwenberaad van de Volkskrant vond plaats in de late jaren zeventig en baarde nogal wat ophef. Om een uur of drie ’s middags stonden de vijf of zes vrouwen die op de redactie werkten tegelijkertijd op en liepen naar de vergaderzaal, terwijl de mannen ze nakeken en grappen maakten.

Het ging de vrouwen niet eens om hun eigen positie op de redactie, wat ze bezighield was de inhoud van de krant. ‘Er werd heel institutioneel gedacht’, zegt Baart, ‘daar waren wij het niet mee eens. We wilden het niet alleen over de grote lijnen en de wetten hebben, wij wilden ook verhalen over welk effect die dingen hadden op de méns. Het invoelend maken.’

Een groepje Volkskrantvrouwen verdeelt aan het eind van het jaar de schoonheidsmiddelen die naar de redactie zijn gestuurd. Zittend links assistent van de hoofdredactie Riet Lina, zittend rechts Erna van den Berg. Staand vlnr: Suzanne Baart, Michèle de Waard, Agnes Koerts, Maria Hendriks en Truus Ruiter Beeld Wim Ruigrok/de Volkskrant
Een groepje Volkskrantvrouwen verdeelt aan het eind van het jaar de schoonheidsmiddelen die naar de redactie zijn gestuurd. Zittend links assistent van de hoofdredactie Riet Lina, zittend rechts Erna van den Berg. Staand vlnr: Suzanne Baart, Michèle de Waard, Agnes Koerts, Maria Hendriks en Truus RuiterBeeld Wim Ruigrok/de Volkskrant

Baart en Jungschleger begonnen rond 1980 een lobbyoffensief om een van hen in de redactieraad te krijgen. En dat lukte. Begin jaren tachtig werd Jungschleger de eerste vrouw die toetrad. Drie Volkskrant-collega’s, Maria Hendriks, Suzanne Baart en Agnes Koerts, besloten in 1982 een stichting op te richten die de belangen van alle vrouwen in de media moest behartigen: de Stichting Vrouw & Media.

De stichting loofde onder andere een prijs uit voor de redactie met de meeste vrouwelijke redacteuren. Wat tot hun verbazing nog werkte ook. ‘Opeens wilde de Volkskrant niet achterblijven’, zegt Hendriks. ‘Al werd de prijs elk jaar gewonnen door de Gooi en Eemlander.’

In 1978, direct na Jungschlegers terugkeer, vond er nog een interessante doorbraak plaats. Suzanne Baart was zwanger en vrijwel de hele redactie verwacht dat ze zou vertrekken. Baart zelf had andere ideeën. Jungschleger: ‘Haar chef Harry Lockefeer verdedigde haar: Suzanne is geen luxepaardje, zei hij, die heeft nog met een helm op bij de Hoogovens gestaan.’ Baart maakte furore toen zij in 1972 als enige vrouw zes weken lang de stakingen bij de Hoogovens versloeg. ‘Die kunnen we niet de laan uitsturen als ze een baby krijgt, zei Lockefeer.’

Baart kwam na tien weken gewoon weer terug op de redactie. Ze krijgt een gelukstelegram van de redacteuren bij de 12-uursvergadering. ‘Het feminisme Baart haar eigen kinderen’, schreven ze. Baart was daarmee de eerste Volkskrant-redacteur ooit die met zwangerschapsverlof ging.

Een gevoel van vrijheid

Er zijn maar weinig mensen die zo goed weten als Jungschleger hoe groot het verschil is: een redactie met en zonder vrouwen. Hoe het voelde om te vertrekken als enige vrouw, tien jaar later terug te keren in een wereld met meer ambitieuze vrouwen, andere werkende moeders. Plotseling had ze collega’s die begrepen welke militaire planning nodig was om in de mallemolen van de redactie mee te draaien, terwijl je thuis een gezin moest onderhouden.

Als ze terugblikt op die tijd, komt er één woord bij haar op, zegt Jungschleger. ‘Een verademing was het. Het gaf een gevoel van vrijheid. Je voelde je vrijer om het werk te doen zoals jij vond dat het moest, want er waren andere vrouwen die dat ook deden.

‘De mening van de vrouw was nog een nieuw fenomeen in de jaren zeventig. Het maakte een essentieel verschil om andere vrouwen om je heen te hebben die goed waren in hun vak, die zich redden in die journalistieke wereld. Ze konden niet meer om ons heen.’

Toen Jungschleger met pensioen ging in 2003 kreeg ze een knuffel van een jongere vrouwelijke collega. ‘Ze bedankte me. Jullie hebben toch maar mooi de weg voor ons geplaveid, zei ze.’ Het was voor het eerst in lange tijd dat ze stilstond bij die begintijd van haar carrière, zegt ze. ‘Ik was daar helemaal niet mee bezig, nee. Je bent aan het werk. Uiteindelijk wilden wij gewoon ons werk doen.’

Meer over