Van Gogh zonder mythe

Door scherp te kijken naar het oermateriaal - de schilderijen, de tekeningen en de brieven - heeft Julian Bell een wonderlijk goed geslaagde biografie geschreven van zijn 'collega' Van Gogh.

null Beeld .
Beeld .

O ja, die zelfmoord. Die moest ook even worden verteld. 'Diezelfde middag schoot Vincent het wapen af, ergens uit het zicht, achter een paar schuren. Het was een slecht schot. Het zou zelfs de dood van zijn broer betekenen.' Meteen zwenkt de aandacht van de biograaf van de bloedende roodharige op de vloer van Auberge Ravoux naar zijn andere hoofdpersoon, de radeloze Theo van Gogh, die negen weken later zou bezwijken. Aan verdriet en aan de syfilis. 'Ik heb altijd al op deze manier willen sterven', had Vincent zijn broer nog toevertrouwd. Dat gold voor Theo waarschijnlijk niet.

Veertig pagina's terug is ons al dat andere tragische moment uit het leven van de schilder voorgezet. Arles, 1988. De ruzie met Gauguin. Het Oor. Het aanbieden van het lillende stukje vlees aan zijn favoriete hoertje. Het zelfportret met het witte verband. De campagne die de buurtgenoten beginnen tegen deze dorpsgek. Julian Bell beschrijft het allemaal even laconiek. Met een vermoeide zucht, lijkt het: 'Wie vraagt 'waarom zijn oor?' is op zoek naar een logica in iets wat een macaber gebrek aan logica vertoont.'

Geen natuurkind

Nee, deze biograaf kent de valkuilen. Hij laat zich niet verleiden, zoals vele 'vincentologen' voor hem, om die sleetse mythes nog eens op te lepelen. Zoals het onuitroeibare cliché van het miskende genie: een boers natuurtalent zonder opleiding, doodarm rondzwervend, overal weggejaagd en uitgekotst, terwijl niemand zag hoe schitterend en visionair zijn werk was.

Zelfs dat laatste was niet helemaal waar, schrijft Bell. Net vóór Van Goghs dood gonsde het in de Parijse salons van verhalen over het opwindende werk dat deze knoestige Brabander zou maken. Zijn schoonzus Jo, Theo's vrouw, lukte het om expositiemogelijkheden te organiseren. Het deed hem weinig. Doodarm was hij ook niet, omdat de goede Theo, die bij een kunsthandel werkte, hem onderhield. Dat geld ging snel op aan verf en drank, maar hij kon zich altijd onderdak veroorloven.

Er zijn meer dan zeshonderd brieven van Vincent aan Theo bewaard. Daaruit blijkt ook hoe belezen Vincent was: hij las Tolstoj, Whitman en Zola, hij kende werk van alle moderne schilders en wist veel van kunstgeschiedenis en kleurenleer. Zo'n natuurkind was hij dus niet.

null Beeld ANP
Beeld ANP
null Beeld .
Beeld .

Oermateriaal

Bell laat zich evenmin meeslepen door het beeld dat de twee laatste biografen, Steven Naifeh en Gregory White Smith, van hem schetsen in hun duizend pagina's dikke biografie uit 2011: een egocentrische zeurpiet, een drammer, een ruzieschopper, een neuroot. Hun theorietje, dat Van Gogh vermoord zou zijn door twee kwajongens, negeert Bell.

Voor Bell is Van Gogh geen patiënt. Maar wat dan wel? Hoe haal je het in je hoofd, om vier jaar na de 'definitieve' Van Gogh-biografie, nog eens met een levensverhaal aan te komen, ditmaal 'compact'? Dat kan alleen als je een totaal ander, nu ontbrekend boek schrijft.

Dat deed Bell. In amper 200 pagina's. Zijn benadering is simpel. Bell, schilder en kunsthistoricus, begint helemaal bij het begin. Hij keek opnieuw, scherp en zo blanco mogelijk naar het oermateriaal: de schilderijen, tekeningen en brieven. Hij ziet de schoksgewijze ontwikkeling van een ruw talent. Hij brengt de schilderijen en de brieven met elkaar in verband. Hij verhoudt zich tot Van Gogh als een schilder tot een schilder, als schrijver tot schrijver. Die collegialiteit lijkt aanmatigend - dat Bell een nazaat is van de beroemde Bloomsbury-familie Bell/ Woolf, waarvan iedereen schrijver, schilder of kunstcriticus is, hielp bij die zelfbewustheid misschien een handje mee - maar het pakt wonderlijk goed uit.

Bell is geen dweper of zeveraar, hij kijkt goed uit zijn doppen. Hij laat zien wat er ook alweer zo uniek was aan dit overbekende werk, dat voor vrijwel iedereen een hoog placemat- en kalendergehalte heeft. Bell denkt met de schilder mee, verplaatst zich in technische en artistieke dilemma's en in zijn gedachten en gevoelens.

Spiritualiteit

In de periode in Arles is Van Gogh koortsachtig aan het werk. Hij is er gelukkig; zijn oor zit er nog onversneden aan. Hij doet de grote ontdekking: dat hij kleuren níét, zoals de impressionisten, aan de natuur moet ontlenen. De knallende gelen en blauwen zijn de kleuren van zijn explosief gemoed: 'Ik gebruik de kleur naar eigen willekeur om me krachtig uit te drukken.' Maar het menselijk lijden zag hij juist uitgedrukt in de natuur, in gekwelde boomtakken. Modieuze kunstkenners vonden deze omkering geschift. Bell ziet hypermoderniteit én tijdloosheid: de nerveus gestreepte landschappen hebben tegelijk een sereniteit die hem doet denken aan Pieter Bruegel.

Bell maakt voelbaar dat spiritualiteit altijd Van Goghs drijfveer bleef, ook na zijn Jezus-periode. Als alle groten die tijdens hun leven weinig bekend waren - Mondriaan bijvoorbeeld, of de dichter Pessoa - wist hij wat hij in zich had. Het kwam wel goed, zij het niet nu. Hij was een doorgeefluik, 'een reiziger die ergens heen gaat en een bestemming heeft'. De wereld was niets dan 'een van Gods mislukte studies'. Daarom was de dood 'niets'. Kunst was slechts een voorproefje van wat aan gene zijde bloeide. Wie Van Goghs Amandelbloesem nog eens bekijkt, die witte, zwevende bloemen in een blauw heelal, moet vaststellen dat hij daar af en toe vast een kijkje nam.

Meer over