VAN EXPLOSIE TOT BRULKOOR

‘Nieuwe’ media hebben zich in pakweg tien jaar tijd een rotsvaste plaats in de kunst ontwerp veroverd. Niet alleen als ‘handig gereedschap’, aldus kunstenaars die morgen deelnemen aan de manifestatie OOGlive....

SACHA BRONWASSER

Een bom ontploft aan de bosrand. De luchtverplaatsing is bijna voelbaar. Heel geloofwaardig zijn die klap, de rook en de dampen – die optrekken en de bosrand langzaam onthullen. Die blijkt echter ongeschonden. Er is niets gebeurd. Geen krater, geen bomen die om liggen, geen herfstblad dat van zijn plaats gekomen is. Dan volgt weer een ontploffing. En weer één, ad infinitum.

De videoloop Mythology (2005) van Chris Cornish, die drie werken vertoond op het Media Art Festival Friesland, is een knap staaltje 3D-animatie. Dat is op zich geen wonder, want de beeldend kunstenaar Cornish werkt een paar dagen per week als 3D-developer bij een bedrijf waar hij de nieuwste technieken tot zijn beschikking heeft.

Maar er is meer dan ‘knap gedaan’. De landschappen van Cornish, die doen denken aan schilderijen uit de Romantiek, zouden in een game het decor zijn voor een gewelddadige actie of avonturen waar je zonder echte kleerscheuren uitkomt. Dat is ook Cornish’ onderwerp: de ‘levensechte’ kunstmatigheid van de wereld die hij maakt. Bij hem hangen explosiewolken als bevroren in de lucht, is er geen schade na een ontploffing of woedt aan de horizon een brand die nooit dichterbij zal komen.

Zijn de nieuwe media in de kunst een handig hulpmiddel, of is de invloed inmiddels veel groter? Morgen, op de manifestatie Ooglive die De Volkskrant organiseert ter gelegenheid van het éénjarig bestaan van het digitale kunstenaarspodium ‘Oog’, zal te zien zijn dat een presentatie met kunstenaars die zich in de nieuwe media uitdrukken, leidt tot het samengaan van zang door een brulkoor, kleding met ingebouwde touchscreens, ‘ouderwetse’ video, tekeningen, foto’s en vj-werk. Tijdens de avond reageren kunstenaars op het nieuws van de dag.

De ‘nieuwe media’, die rare verzamelnaam voor zo’n beetje alle technische toepassingen sinds de uitvinding van de videocamera, hebben in pakweg tien jaar tijd een rotsvaste plaats in het ontwerp en de beeldende kunst veroverd. Vaak zijn die media alleen maar dienstbaar, ze maken het makkelijker een filmpje te maken, een afbeelding te bewerken, een apparaat te laten werken of een lichtbox van kleur te laten verschieten.

Maar het medium kan ook grote esthetische veranderingen met zich mee brengen. Zo heeft Photoshop het aanzien van de schilderkunst behoorlijk beïnvloed. Neem de schilder Eberhard Havekost, onlangs nog in het Stedelijk Museum te zien. Hij schilderde altijd al naar foto’s, maar sinds hij zijn beeldmateriaal eerst in de computer op- en uitrekt, zien zijn schilderijen er wezenlijk anders uit.

Of neem het programma Flash, waarmee animaties veel simpeler gemaakt en verstuurd konden worden. Na de introductie waren die animaties – en in hun kielzog websites en ook weer papieren ontwerp – ineens duidelijk herkenbaar als ‘typisch Flash’: plat, zonder contouren, zonder kleurverloop, als uitgeknipt papier.

Zelfs inhoudelijk kan een medium sturend zijn. Chris Cornish’ Mythology ziet er uit als een spel, maar is in feite commentaar op zo’n spel. ‘The medium is the message’, de ruim veertig jaar oude uitspraak van media-goeroe Marshall McLuhan, wordt in zijn werk bewaarheid – en bij nog veel meer kunstenaars.

‘Alles wat ik doe, gaat in feite over onze omgang met computers’ zegt ontwerper Joes Koppers. Hij maakte een werk als Touch Me. Daarbij worden alle mensen in een ruimte spelers in een spel dat op de muur geprojecteerd is en kunnen zij, door te bewegen, elkaar virtueel aanvallen. ‘Het is een spel en het gaat tegelijkertijd over het spelen zelf. Je lichaam gebruik je als vinger.’

Het meest extreme voorbeeld van het gebruik van nieuwe media om er tevens commentaar op te leveren, was in de jaren negentig het werk van het Belgisch-Nederlandse duo JoDi, dat geheel gaat over programmeren, virussen en dingen die in de computer mis kunnen gaan. Hun werk is te bekijken op websites en dvd’s. Eén van hun vroege werken veranderde de kleurinstellingen van je beeldscherm. Typisch werk dat stamt uit een tijd dat de computer grote beloftes inhield, maar ook tot grote irritatie en zelfs angst leidde.

Het duo Karen Lancel en Harmen Maat maakt al jaren werk waarin nieuwe media en nieuwe manieren van communiceren een rol spelen. Op het Rode Plein in Moskou en in een megawinkelcentrum in Hong Kong toonden ze de interactieve performance Stalkshow. ‘Daarin heeft een performer een touch-screen op zijn rug’, vertelt Lancel. ‘Voorbijgangers kunnen daar teksten op uitkiezen en aanraken. Die worden vervolgens samen met hun eigen gezicht heel groot op een scherm op dat plein of in die hal geprojecteerd, zodat anderen het ook kunnen zien.’ Het touch-screen, op zich niet meer dan een handig besturingssysteem, leidde tot een werk over aanraken, intimiteit en openbaarheid.

Niet iedereen zingt de lof van de nieuwe media. Videokunstenaar eddie d. monteerde zijn video’s – ritmische composities die bestaan uit kleine stukjes videobeeld – vroeger op tape. De kreun van een tennisster die een bal slaat werd een beat, een afvoerputje met wegstromend water een steeds terugkerende klank. (The first, the second, the end, 1993). Het monteren was volgens hem ‘een klerewerk’. Toen kwam de computer, ‘en nu is het nog steeds een klerewerk’. Hij lacht. Toch is zijn werk wel veranderd doordat hij veel preciezer kan werken. Hij kan nu de geluidsweergave ook grafisch zien en daar heel precies in snijden – zo fileerde hij de spraak van premier Balkenende tot een Paul van Ostaijen-achtige compositie met nooit eerder gehoorde klanken (Sonatina, 2004).

Ontwerper Max Kisman gaat altijd uit van de beperkingen van een nieuw medium. ‘Zonder smaak en esthetische principes ben je nergens’, doceert hij. ‘Domme mensen denken dat machines de oplossing bieden. Dat is een misvatting.’ Dat gezegd hebbende, kan hij uit ruim twintig jaar ervaring allerlei voorbeelden opdiepen waarbij hij een nieuw principe of de beperkingen van een nieuwe techniek als uitgangspunt voor een werk nam. ‘Vanuit het medium leren denken’, noemt hij dat. ‘Ruim tien jaar geleden maakte ik filmpjes, leaders voor de VPRO, die ik rechtstreeks vanuit de Amiga computer op tv wilde laten zien. Dan ben je gebonden aan heel eenvoudige plaatjes en beperkte kleuren.’ Soms biedt het ene medium een oplossing voor het andere: zo is Kisman lettertypes met elkaar tot de nieuwe letter Fudoni gaan samplen, toen dat principe in de muziek opkwam.

Maar hij blijft op zijn qui-vive voor de verlokkingen. ‘Bij internet vraag je je nu steeds af hoe je een statisch beeld dynamisch kunt maken. Maar de vraag die je ook steeds moet stellen is: moet dat wel?’

In het geval van het duo Persijn Broersen en Margit Lukács moest dat absoluut. De foto’s en tekeningen waar ze altijd mee werkten, konden ze uitbouwen tot landschappen waar de kijker doorheen doolt of vliegt. ‘We kunnen de beeldenstroom van kranten, van televisie en van internet nu tot één omgeving samen laten smelten’, zegt Lukács. ‘Daardoor gaan de beelden minder vluchtig aan je voorbij. Als je op een foto in een krant een plas bloed ziet liggen, ervaar je die niet zo. Door de techniek die wij nu gebruiken, door die ‘dode dingen’ weer tot leven te wekken, zijn de beelden minder oppervlakkig. Terwijl je toch echt blijft zien dat het krantenfoto’s waren.’

Op Ooglive zullen Karen Lancel en Hermen Maat een performer in een jas laten lopen die vol zit met elektronica. Wie het aandurft de persoon aan te raken, ziet op een groot scherm een keur aan explosies die uit het nieuws komen. Beelden die angstaanjagend zijn, maar ook mooi. ‘Mediabeelden zijn altijd heel erg op afstand. Dit komt heel dichtbij. Wat je te zien krijgt, is een direct gevolg van wat je doet’, zegt Lancel. ‘Over het algemeen wordt gedacht dat door de nieuwe media en nieuwe techniek het contact tussen mensen vermindert. Maar je moet ook zien dat er nieuwe schoonheid uit voortkomt.’

Meer over