Van engagement wordt krant niet beter

De journalist die een conflict verslaat, wil partij kiezen. Anders wordt zijn verslag zo steriel. Volgens Linda Grant heeft engagement echter de neiging om te botsen met de feiten....

HET IS 1994. Plaats van handeling: het Afrikaanse land Rwanda, een voormalige Belgische kolonie, waar je tot voor kort weinig over hoorde. Een half miljoen - misschien zelfs één miljoen - Rwandezen worden afgeslacht in wat de ergste genocide sinds Cambodja genoemd mag worden. De wereld is verbijsterd door zoveel beestachtige wreedheid. Journalisten zijn ternauwernood in staat om de gruwelijkheden waar ze getuige van waren of waarvan de overlevenden verslag deden, in woorden te vatten.

Een paar jaar later. Honderdduizenden Rwandese vluchtelingen bevinden zich in kampen aan de grens met Zaïre. Na de gruwelen van de massamoord is er nog altijd geen einde gekomen aan het lijden van de Rwandezen, die ver van huis in almaar schrijnender omstandigheden moeten zien te overleven. De kampen worden aangevallen. Mannen sneuvelen, vrouwen worden verkracht. Afrika blijft werkelijk niets bespaard.

De doorsnee televisiekijker zal het ontgaan zijn dat er tussen de recente beelden en die uit 1994 één cruciaal verschil was. De slachtoffers van de massaslachtingen waren Tutsi's. De mensen die verkommerden in de kampen waren Hutu's, het volk waartoe de plegers van de genocide behoorden.

Een vergelijking met 1945 dringt zich op. Verslagen van de bevrijding van Auschwitz en Bergen-Belsen werden gevolgd door reportages uit Berlijn tijdens de eerste naoorlogse winter. De stad in puin, mensen die op sterven na dood waren door honger en bittere kou. De joden en de Duitsers waren beiden door een vreselijk lot getroffen, maar de laatsten hadden hun misère te danken aan de nederlaag die was gevolgd op hun pogingen om de eersten totaal te vernietigen.

Beide tragedies waren van een andere orde van grootte. Elke situatie waarin sprake is van grootschalig menselijk leed moet in haar historische context worden beschouwd, anders raken we onherroeppelijk het spoor bijster.

De BBC-correspondent Martin Bell heeft zich twee keer binnen een maand fel uitgesproken tegen oorlogsverslaggeving waarbij bewust geen partij wordt gekozen. 'Ik geloof niet in onpartijdigheid als het gaat om goed en kwaad, als er sprake is van een agressor en een slachtoffer', verklaarde hij onlangs op een internationaal journalistencongres. Een BBC-apparatsjik vergeleek Bell spottend met een priester die na jaren celibatair te hebben geleefd op de valreep besluit 'om nog eens even lekker te gaan rondneuken' - waarmee hij bedoelde: de eis van objectieve en genuanceerde berichtgeving aan z'n laars te lappen.

Iedere generatie kent wel een politiek geëngageerde verslaggever die met zijn verhalen grote invloed heeft op de publieke opinie. James Cameron was ooit zo iemand. Voor mij was het de Australiër John Pilger, die met zijn verslagen over de oorlog in Vietnam en de daarop volgende volkerenmoord in Cambodja er sterk toe bijdroeg dat wat aanvankelijk radicale politieke meningen waren, geleidelijk aan gemeengoed werd in de 'burgerlijke' pers.

Toen de wereld Vietnam uit allerlei opportunistische politieke motieven veroordeelde vanwege zijn invasie in Cambodja, wees Pilger erop dat Pol Pot zonder tussenkomst van de Vietnamezen de Cambodjanen tot de laatste man zou hebben uitgemoord.

Toch kleeft er een gevaar aan een dergelijke journalistiek engagement, zoals er ook een verschil is tussen genuanceerde en objectieve berichtgeving. Genuanceerde be- richtgeving is iets wat in de ogen van de betrokkenen praktisch altijd als een onmogelijkheid wordt gezien. Kijk maar naar het voormalig Joegoslavië: in het eerste jaar van de oorlog klaagden zowel de Serviërs als de Kroaten steen en been over de buitengewoon partijdige berichtgeving op de buitenlandse televisie. Bovendien kan het streven naar genuanceerde verslaggeving leiden tot uitwassen als de weigering om over wreedheden te berichten zo lang er geen soortgelijke, door de tegenpartij begane wandaden bekend zijn.

Objectieve berichtgeving daarentegen, vereist een grote mate van kritische zin, een uiterst zorgvuldige werkwijze bij het verzamelen van de feiten - zoals het raadplegen van verschillende bronnen -, en ten slotte de wil om een verhaal te schrijven dat niet je ideeën bevestigt, maar dat zo dicht mogelijk de waarheid benadert. Dan pas kun je een oordeel vellen.

Nog geheel in de ban van Pilger, ging ik in 1989 naar Hanoi en Ho-Chi-Minhstad. Ik verwachtte een zelfbewust, socialistisch land aan te treffen dat nijver werkte aan zijn wederopbouw. Alle tolken van wier diensten ik gebruik maakte - en die, tussen haakjes, allemaal achter de Chinese regering stonden die enkele weken daarvoor de studentenopstand op het Plein van de Hemelse Vrede bloedig had neergeslagen - wilden weten of ik John Pilger kende. Ze beschouwden hem als 'een vriend van de Vietnamese regering' - een dubieus eerbewijs voor een journalist.

Bij thuiskomst ging iedereen er van uit dat ik het een geweldig land had gevonden. Nee dus. Ik vond het er afschuwelijk. Vietnam stond aan de vooravond van de terugkeer naar het vrije ondernemerschap en het massatoerisme, en daarom werden de bedelaars hardhandig uit de straten verwijderd. De jongeren, die de verhalen van hun ouders over de oorlog meer dan beu waren, droomden van Westerse rijkdom en keken de hele dag naar Rambofilms.

Vertel de waarheid over Vietnam, fluisterden de mensen die ik sprak. Vertel de wereld dat we democratie en volle schappen in de winkels willen. De fans van Pilger waren ge- schokt door mijn artikelen. Voor mij was het ook een schok. Ik had heel graag een Pilger willen zijn, maar ter wille van de waarheid had ik verraad moeten plegen aan de goede zaak.

Er zijn situaties waarbij er een duidelijke scheidslijn is tussen goed en kwaad, en dan kun je het niet maken om je mond te houden. Maar verreweg het grootste deel van wat wij 'nieuws' noemen, gaat over kwesties die uiterst gecompliceerd liggen. Juist daarom wil het publiek niets liever dan dat er een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen de goeden en de slechten.

Helaas zijn er maar weinig conflicten waarbij de rol van vredestichter of agressor zo overtuigend gespeeld wordt als bijvoorbeeld door Mandela en Saddam Hussein. Maar op de een of andere manier heeft de geëngageerde journalistiek zo'n aantrekkingskracht dat we toch altijd weer ons uiterste best doen om een duidelijk standpunt te formuleren. Wie droomt er niet stiekem van om een Richard Dimbleby te zijn: in 1945 vanuit Bergen Belsen dreigen dat je ontslag neemt als je reportage niet wordt uitgezonden.

In verslagen uit Bosnië varieerde het aantal moslimvrouwen dat verkracht zou zijn van 20 duizend tot 60 duizend. Maar sommige vrouwen waren honderden malen verkracht, en van sommige verkrachtingen waren honderden mensen getuige. Het is bijna onmogelijk om het werkelijke aantal vast te stellen - zeker in een land waar abortus tot de tiende week zonder beperkingen is toegestaan - maar dat heeft weinigen ervan weerhouden om via de berichten over verkrachtingen de Serviërs te demoniseren.

Het ware verhaal zou zijn geweest dat in elke oorlog verkracht wordt, maar dat dit de eerste oorlog was waarin feministische organisaties geprobeerd hebben om gegevens daarover te verzamelen, en de gruwelijke feiten aan het licht te brengen.

Het journalistieke handwerk van feiten verzamelen raakt een beetje uit de mode. Kranten en actualiteitenrubrieken ruimen steeds meer plaats in voor ongefundeerde opinies. Dit soort deskundologenjournalistiek dreigt in de plaats te komen van berichtgeving op grond van feiten.

Het echte nieuws wordt een ondergeschoven kindje, want het kost nu eenmaal minder om een columnist of een academicus vanachter zijn bureau duizend woorden te laten afscheiden dan om een heel netwerk van correspondenten in stand te houden of medewerkers het veld in te sturen.

Wat Martin Bell 'gedreven journalistiek' noemt, is iets waar we nog steeds absoluut niet buiten kunnen. Maar bovenal geldt dat we altijd eerst ouderwets de feiten boven tafel moeten brengen voor we ons een mening kunnen vormen.

Linda Grant is redacteur van The Guardian.

The Guardian/ de Volkskrant.

Vertaling: Harrie van der Meulen.

Meer over