Van de foto afgeknipt

Jan Tuijp (59) was tot 16 juni 2007 bassist en tekstdichter van de Band Zonder Naam (BZN). Hij was er als enige vanaf het begin in 1965 bij....

Pas op het allerlaatste ogenblik van het afscheidsconcert schoot zijn vader voorbij – al was-ie 23 jaar dood. Jan Tuijp had zich omgekleed en zijn deftige pak met rood-witte stropdas ingewisseld voor een wit overhemd losjes over de broek. Jan Peter Balkenende had de band namens het gehele Nederlandse volk plechtig toegesproken, per straalverbinding.

Het afscheidsnummer, Goodbye, was gespeeld – en hij had het verdomme slecht. Hij was in tranen, maar door zijn Roy Orbison-achtige blauwe Dior-bril kon niemand het goed zien.

Na 42 jaar Band Zonder Naam (BZN) gespte hij zijn Blade-basgitaar af, en de mensen bleven maar klappen en joelen. Hij kookte over van verwarring en ellende. Hij had het liefst net als Pete Townshend van The Who met zijn gitaar op de vloer geramd, maar hij zette hem toch netjes in een houder.

En daar stond-ie op het podium: de basgitaar waarmee het allemaal was begonnen, broederlijk naast de Blade. De gitaar die zijn vader voor de toen 17-jarige Jan had gemaakt, samen met ome Jaap. Zijn vader, Kees ‘Pet’ Tuijp, de enige echte Mister BZN, de man voor wie hij zijn allermooiste tekst had gemaakt. Hij zag hem weer helemaal voor zich, daar in Ahoy, op 16 juni 2007.

Kees ‘Pet’ zou de blaren op zijn handen hebben geklapt voor Jan ‘Pet’, zijn zoon.

Oh, vader, ik leek zo graag op jou.

En jij was trots op alles wat ik deed.

Bij Arnold Mühren van The Cats hadden ze midden jaren zestig de maten opgevraagd, en bij houtzagerij Nieuw Leven was aan de lintzaag uit een stuk grenen een basgitaar geboren. Toenmalig gitarist Cees Tol, onderhoudsmonteur van beroep, had een aluminium dekplaat gezaagd, met daarop twee knoppen bevestigd. De snaren, die hij met babypoeder bewerkte, kwamen niet veel later uit de winkel.

Dat hij basgitaar ging spelen in de band, dat kon niet anders. Er was nog maar één plek vrij, en omdat hij op de ambachtsschool een beetje Engels had gehad, werd hij ook de tekstdichter van de band.

Zijn vader was een nummer – jaaaa, zo was het hoooor, zegt hij in zangerig Volendams. Jan zit op de bank in zijn huis, met uitzicht op een namaak open haard, en herhaalt het nog maar eens. Zijn vader was een niemand, maar voor hem was hij de allergrootste man op aarde.

Elke dag stapte hij op zijn fiets van Volendam naar de Nederlandse Koolborstelfabriek van Morelisse in Edam. Hij ging zitten achter zijn machine, en vooruit maar weer, dag in, dag uit. Er was een koperen draadje, een beetje kwikpoeder en dan moest dat in een gaatje van het borsteltje – een harde trap met de rechtervoet en, boeff, dan zat-ie vast.

Als hij thuiskwam in zijn blauwe overal, en de andere tien kinderen her en der in het huis speelden, zag Jan zijn vader naar de radio lopen, die op ooghoogte was opgehangen. Radio Luxembourg draaide Apache van The Shadows, en zijn vader pakte twee lepels en speelde blijmoedig mee, alsof hij die dag niet aan een stuk door koolborstels had gemaakt.

Jan wilde dus een Shadow worden, en zich als oudste zoon ontworstelen aan de grauwe werkelijkheid.

Toen BZN in 1976 – na tien jaar ploeteren als gitaarband – met de in duo gezongen ballade Mon Amour op nummer één in de Top 40 kwam, belde hij ’s morgens om tien uur naar de koolborstelfabriek. Of hij zijn vader even mocht spreken. ‘Pa, we staan op nummer één’, was het enige dat hij zei. Zijn vader maakte zich los van zijn machine en hij danste op de werkbank. De fabrieksarbeiders wisten niet wat ze zagen. Die Tuijp had de kolder in zijn kop gekregen. Hij rende naar zijn chef, naar de hoogste baas: ‘Mijn kind staat nummer één, mijn kind staat op nummer één.’ Hij rende van werkbank naar werkbank, om uiteindelijk in de armen van Jan te eindigen, die zo snel mogelijk naar de fabriek was gereden.

Op die dag werd mijn vader geboren, zegt Jan. Hij begon te leven. Hij was niet langer een nummer. Hij was van niets iets geworden. Hij vereenzelvigde zich daarna met alles wat BZN was.

Jan loopt de trap af naar zijn Weinstube in de kelder van het huis. Daar hangt zijn Blade en ook zijn G & L-bas. De door zijn vader gefabriceerde gitaar heeft een plek gekregen in het Palingmuseum in Volendam.

Hij doet het licht uit, pakt uit een kastje een van de negen afstandsbedieningen en drukt op een knopje. ‘Hij moet even warm worden’, zegt Jan, en hij wijst op hier en daar opgehangen ramen die eigenlijk verlichte schilderijen zijn. De grote bruine tafel is leeg en de bar opgeruimd. Overal spiegels, voor het ruimtelijke effect.

Opeens komt er een scherm naar beneden en is er zacht geluid. Dan zijn er lichtjes – en een a capellaversie van Mon Amour is hoorbaar, door het publiek gezongen. Het is de eerste keer dat hij het afscheidsconcert terugziet. Daar komt Jan het podium op, zijn haar strak in de lak, het mooie pak: een ouwe rocker met een goed humeur.

En dan zet-ie alles weer uit. ‘Meer kan ik niet zien’, zegt hij, en hij loopt de trap op.

Twee jaar voor het afscheidsconcert reden ze naar Almelo, voor een optreden in het Theaterhotel. Ze zaten in de rode Chevrolet Caprice van manager Dick de Boer, allemaal op hun vaste plek. Eerst was Jan Keizer thuis opgepikt, toen Dick Plat, vervolgens Jack Veerman, John Meijer, Jan Tuijp en tenslotte Carola Smit – wat zoals altijd gedonder gaf met de verkeersdrempels in haar straat.

Jan zat naast de koffers, helemaal achterin, die ook allemaal een vaste volgorde hadden. ‘De Miele’, zoals de bijnaam voor de groot uitgevallen koffer van Jan Keizer luidde, lag onderop.

Net voorbij Apeldoorn, nog op de A1, kwam opeens het hoge woord eruit. ‘Ik stop ermee. Ik ga solo.’ Jan Keizer, die al de nodige solo-optredens had gedaan, wist het zeker.

Nou, daar zat Jan Tuijp dan, sprakeloos. ‘Maar Jan, waarom wil je stoppen met BZN?’, klonk het nog. Maar Keizer wist het dit keer zeker. Hij had gezien hoe Wolter Kroes en Dries Roelvink het deden. Of Jan Smit, die door Keizer, Tuijp en Veerman op het schild was gehesen. Gewoon, en nog vaker, met een tape het land in. Zo kon hij met minder werk meer verdienen.

Wat moest Tuijp ervan zeggen? Wat zou dat betekenen? Zonder Jan Keizer geen BZN, dat was duidelijk. Tuijp zou zich wel redden, hij was miljonair geworden door de BZN-liedjes die hij had geschreven, net als Keizer en Veerman. Maar die anderen dan? Carola? John Meijer, Dick Plat, Dick de Boer? De roadies? Die kwamen toch allemaal op straat te staan?

Keizer was niet te vermurwen.

’s Avonds op het podium leek het nergens op. Keizer raakte zijn tekst kwijt, de sfeer was ijzig. En Jan Tuijp dacht aan zijn leven en hoe het nu verder moest. Het klinkt pathetisch, vindt hij zelf, maar die avond veranderde zijn leven. De band had altijd voorop gestaan. BZN was de God in zijn leven, de ware religie in zijn ogen.

In zijn hersenpan voltrok zich daar, op het podium van het Theaterhotel, een vreemd proces en hij dacht vooral aan zijn in 1997 aan slokdarmkanker overleden broer Jaap. Die had op een dag van de dokter te horen gekregen dat zijn gezondheidstoestand hopeloos was: ‘Het is afgelopen.’ Zijn broer wilde geen nieuws meer zien, het spannende boek niet meer uitlezen. Waarom zou hij? Alles zou toch gewoon doordraaien zonder hem.

En dat had Jan dus ook. Het is allemaal zinloos geworden, vond hij, terwijl hij naar het publiek keek.

Later zouden goeie kennissen tegen hem zeggen dat ze nog nooit zo’n slecht en ongeïnteresseerd BZN-concert hadden meegemaakt als in Almelo. Er werd amper meegezongen of meegeklapt, er waren geen grappen tussendoor en sommige liedjes leken wel anders. Het was een modderconcert geweest, en dat in het jaar van hun 40-jarig jubileum.

Jan Keizer is zijn vriend, dat moeten we vooral niet vergeten. Hij betekende veel voor de band, was het boegbeeld, samen met Carola. Maar toen hij laatst op de radio Freek de Jonge hoorde zingen ‘IK WIL AAANDACHT!!!’ en Tuijp bijna in zijn broek kakte van het lachen, dacht hij aan zijn vriend en aan al die anderen in dat narcistencircus, zoals hij de showbusiness noemt. Allemaal mensen die verslaafd aan zichzelf zijn.

Ook bij BZN was er altijd die merkwaardige aandacht voor het duo, zegt hij. De jurk van Carola, de hond van Jan Keizer. Bij Top Pop kreeg hij eens te horen of hij niet meer in beeld wilde komen. Van foto’s werd hij bijna afgeknipt.

Jan Tuijp was te veel, net als de andere muzikanten, dat gevoel bekroop hem wel eens. Terwijl BZN toch een échte band was, en niet een som der delen. Hij was er vanaf het allereerste begin bij, als enige nog. Hij was geen fabuleuze bassist, maar hij was wel de man die de sound van BZN bewaakte.

De gedragen manier van zingen, de klankkleur van Carola en Jan, het Mon Amour-ritme. De melodie, liefst een beetje nostalgisch, was belangrijk, de teksten moesten passen en niet te moeilijk zijn. Hij wilde vooral scoren met zijn muziek, met de band die hij 42 jaar diende.

Toen in 2004 het idee ontstond om in het Nederlands te gaan zingen – en van een afscheid nog lang geen sprake was – kwam Jack met een melodietje aanzetten. Deze is voor vader, dacht Jan. Langzaam maar zeker had hij het aangedurfd om in de teksten zijn eigen gedachten en gevoelens toe te laten. In het Nederlands zou dat nog beter kunnen. Dimitri van Toren, Annie M.G. Schmidt, Belinda Meuldijk, Lennaert Nijgh – hij kon er dagen naar luisteren hoe zij melodie en teksten konden laten samensmelten. Dat wilde hij ook.

Op een kamertje bij Jan Keizer gingen ze aan tafel zitten, en voor ze het wisten stond het erop, Vader.

Vader, wat jammer nou dat jij niet weetwat ik verder met mijn leven deed.

Zijn vader, Mister BZN, stierf op 57-jarige leeftijd, in 1984. Op het twaalfenhalf-jarig trouwfeest van Jan was hij onwel geworden. Probeer je maar eens voor te stellen wat er gebeurde, zegt Jan, en hoe al die feestgangers in het ziekenhuis terechtkwamen.

Vader Tuijp woonde al een tijdje alleen, na 35 jaar huwelijk. Op het feest zat hij aan de ene kant van de zaal, en Jans moeder aan de andere kant. Zijn vader wist niet waar hij kijken moest.

Op de begrafenis werd Call Me van BZN gedraaid, zijn favoriete nummer. Vader hoopte steeds maar dat Jans moeder hem zou bellen, zoals in het liedje gebeurt, en dat het allemaal weer goed zou komen.

Verdorie, die ouwe toch. Jan wrijft in zijn ogen, en zet zijn blauwe bril met twee handen terug op zijn plek.

De dood – Jan had het gevoel dat die jaren met de band meereisde, tot het einde aan toe. Zijn vader dus, zijn schoonvader, zijn broer, Carola die maar net een zwaar herseninfarct overleefde, Jan Keizer en zijn hartoperatie, gitarist Dick van der Horst die drie jaar geleden overleed, producer Roy Beltman zomaar dood en zes weken voor het definitieve einde van BZN stierf de andere manager, Jacques Hetsen.

De allerlaatste keer dat de band bij elkaar was, eind juni in een Chinees restaurant in Purmerend, kwamen de doden allemaal weer voorbij, en vooral Jacques. De bandleden zaten aan een lange tafel, samen met de roadies. Het was een dramatische avond. Tiny, de weduwe Hetsen, nam het woord en overhandigde het afscheidscadeau aan de band. Ze had het samen met Jacques uitgezocht, een week voor zijn dood – alsof hij wist dat hij er tussenuit zou piepen. Het was een fles rode wijn van het huis Zondernaam, met een door de zus van Jacques geborduurd doekje eromheen.

Dit was dan echt het definitieve einde van zijn bandleven, op de weg terug zat Jan weer met de tranen in zijn ogen. Want echt, hem zien we niet meer in een nieuwe band, geen denken aan. Het kan alleen maar minder worden.

Zijn Blade-basgitaar gebruikt hij alleen nog als hij zijn Griekse vakantiefilms aan het monteren is – zijn hobby. Dan zet hij bij de beelden passende Griekse muziek op, en bast hij een beetje mee.

Heerlijk, zegt Jan. Eindelijk niemand die hem hoeft te horen.

Meer over