bewchouwing

Van angstaanjagend stil naar heerlijk rustig: een postcoronagids voor meer rust in de stad

null Beeld Wiosna van Bon
Beeld Wiosna van Bon

Door de lockdowns werd het op straat rustig, érg rustig. Inmiddels ervaren veel Nederlanders de stilte op straat als prettig. Kan die kwaliteit niet worden vastgehouden, door stilte in de openbare ruimte te ontwerpen? De Volkskrant liet zich inspireren door een verlaten fort, luwteplekken en het schoolplein.

Zoals de muziek toonaarden in mineur en majeur kent, bestaan er verschillende soorten stilte. Toen Nederland ruim een jaar geleden in lockdown ging, waren de straten angstaanjagend stil. De Dodenherdenking waarbij koning Willem-Alexander op de lege Dam sprak, noemde de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema ‘beklemmend’. Die eerste schrikreactie heeft bij stedelingen plaatsgemaakt voor een blijk van waardering. Zo schreef columnist Sylvia Witteman onlangs dat het Leidsebosje achter het Amsterdamse Leidseplein ‘sinds corona de toeristen heeft verjaagd heerlijk stil is’.

De coronacrisis heeft stilte in de – steeds vollere – stad een nieuwe impuls gegeven. Hoe kan de architectuur zorgen dat deze blijvend wordt beschermd?

De Delftse bouwkundestudent Melle Haak greep de eerste lockdown aan om de kansen van de coronacrisis voor de architectuur te onderzoeken, in zijn documentaire Sprekend stil. Met zijn camera liep hij door de verlaten straten en ging vanuit een lege collegezaal via Zoom in gesprek met grote namen uit de architectuur, onder wie Herman Hertzberger. De 88-jarige architect zag de stad tijdens de eerste lentemaanden zoals hij altijd had gedroomd: ‘Je ziet dat de mensen de straat gaan gebruiken; de ruimte van de stad als een verlengstuk van het huis.’ Architect Nathalie de Vries concludeert dat we ‘meer groen, meer natuur en meer frisse lucht’ willen.

Stilte speelde bij het ontwerpen van de openbare ruimte vooralsnog geen rol. De geluidsschermen langs spoor- en snelwegen dienen buiten beschouwing te worden gelaten, die zijn bedacht om ernaast woningen te kunnen bouwen binnen de geluidsnormen. Wel zie je een toenemende belangstelling voor stiltecafés en -festivals, maar dat zijn particuliere initiatieven die stilte als luxe presenteren in plaats van een kwaliteit die voor iedereen beschikbaar is.

Nu pakken gemeenten het onderwerp op. Zo startte stadspsycholoog Sander van der Ham met financiële ondersteuning van de provincie Utrecht vorig jaar het onderzoek De stille stad. Hij spreekt met inwoners over waar zij stilte zoeken en ervaren. Zo wil hij voor beleidsmakers de opgave helder krijgen en stadsplanners helpen met het faciliteren van stilte.

‘Tijdens de coronacrisis blijkt opeens een heleboel te kunnen’, zegt Van der Ham op de site van de provincie Utrecht. ‘Steden over de hele wereld bouwen autowegen om tot fietspaden en halen parkeerplaatsen weg om stoepen te verbreden.’ Hij denkt niet dat die steden dit snel gaan terugdraaien, maar ondertussen staan caféhouders klaar om anderhalvemeterterrassen in de openbare ruimte te plaatsen. De uitdaging ligt volgens Van der Ham niet enkel in het scheppen van stilte, maar ook in het vinden van de balans tussen rust en reuring.

De Volkskrant ging kijken hoe dat in de praktijk werkt en zag dat je in het oog van de storm stilte kunt vinden.

Fort bij Hoofddorp: leegte leeg laten

De paradox van de stille plek in de stad – waar geen mens komt en geen geluid wordt geproduceerd – is dat niemand van het bestaan weet. Het Fort bij Hoofddorp was zo’n plek: al jaren in onbruik, door onkruid overwoekerd, door Hoofddorpers haast vergeten. Totdat in 2010 theatermaker Femme Hammer erlangs fietste en het idee opvatte om er openluchtvoorstellingen te organiseren. Ze nam architect Serge Schoemaker mee om de ruimtelijke mogelijkheden te verkennen. Hij viel als een blok voor de ‘brute’ betonarchitectuur en kreeg het idee om het complex in zijn geheel te herontwikkelen.

De gemeente, blij dat iemand na jaren van leegstand met een monumentwaardig plan kwam, vond het goed. De initiatiefnemers konden het gebouw in erfpacht krijgen, mits ze zelf de financiering voor de renovatie zouden regelen en het complex zouden openstellen voor publiek. Met hulp van overheidssubsidies en fondsen hebben ze het getransformeerd tot een park met horeca, bedrijfsruimte, een openluchttheater en vrij toegankelijke ‘stilteplekken’.

Als je over de verbindingsdam het forteiland op loopt, sta je in een andere wereld. Tussen de dikke betonnen muren hoor je geen verkeer; ‘je hebt hier zelfs geen bereik’, lacht Schoemaker met een blik op zijn mobiel. In het buitentheater strijken mensen neer in de zon, de ruimte onder het voormalige hefkoepelgeschut - een romantische, ruïne-achtige patio waarin het geluid uit de omgeving wegvalt – is de ultieme plek om te mediteren.

Schoemaker zelf is graag in ‘de ‘kapel’, zoals hij de keelkazemat in de punt van het gebouw noemt. Ooit ontworpen om de aanstormende vijand te beschieten, straalt deze sculpturale ruimte met zijn ruwe betonnen muren nu een enorme rust uit. Hij kan worden gebruikt voor wisselexposities en ontvangst van groepen, maar is in principe leeg.

Schoemaker verzet zich tegen het idee dat ‘tegenwoordig alles commercieel uitgebuit moet worden’. ‘Grond in de stad is duur, dus als een projectontwikkelaar een plek bemachtigt, dan zal hij geen ruimten ‘weggeven’ zodat mensen daar stilte kunnen beleven. Het levert niet direct geld op.’ Maar op de lange termijn dragen zulke plekken volgens hem wel bij aan een prettige leefomgeving en een goede gezondheid.

De kerk bood van oudsher ruimte om tot rust te komen, die functie is deels overgenomen door ‘de nieuwe kerken’, zoals bibliotheken en musea worden genoemd. Fort Hoofddorp heeft ook zulke plekken, als is het de bedoeling ‘dat het gebouw ook echt gaat leven’.

Fort Hoofddorp was in 2010 een van de tienduizend lege overheidsgebouwen die studio Raaaf bijeenbracht in een reusachtige maquette onder de naam Vacant NL, de Nederlandse inzending voor de architectuurbiënnale in Venetië. Op dat moment, midden in de economische crisis, werd vooral gesproken over te vullen vierkante meters. Vacant NL maakte inzichtelijk welk een rijkdom aan panden – publiek eigendom – daarachter schuilging: kerken, scholen, forten, elk met hun eigen ruimtelijk kwaliteiten. Het biënnalepaviljoen zelf liet Raaaf leeg. De boodschap: doe iets met die geweldige ruimten, maar prop ze niet rücksichtslos vol met woningen en kantoren. Laat mensen de leegte beleven.

‘Er is nu geen opdrachtgever die daarom vraagt’, ziet Schoemaker. Hij vindt dat de overheid ervoor moet zorgen dat er een programma en geld voor komt. ‘Ik kan me voorstellen dat een bepaald percentage van elk gebouw een ongedefinieerde, stille ruimte of buitenruimte moet zijn.’

Door de coronarisis lopen kerken versneld leeg en ook het aantal vacante kantoren en winkels zal toenemen. Plekken zoals Fort Hoofddorp zijn er volop, maar zoals Johan Cruijff zei: je ziet het pas als je het doorhebt.

Stadsklooster Rotterdam: looproute langs luwteplekken

‘Aanpakken, doordouwen, dat was de mentaliteit van Rotterdam’, zegt Leks Verzijlbergh terwijl hij op een bankje neerstrijkt in de Jacobustuin in Rotterdam. ‘Naarmate we dichter op elkaar wonen, vooral hier in het centrum, zie je de behoefte aan rust toenemen.’ Verzijlbergh, die een appartement met balkon aan de Oude Binnenweg bewoont, vindt rust in deze semipublieke binnentuin, gelegen in een bouwblok op steenworp van de Koopgoot.

Sinds tien jaar komt hij hier om te schoffelen en zorgt hij als vrijwilliger ervoor dat het Jacobustuinhuis, de speelplekken en de kippenren in orde zijn. Met iedereen maakt hij een praatje, latente dj’s vraagt hij hun muziek vooral thuis te draaien, opdat de tuin een oase van rust blijft.

De Jacobustuin is wat de Belgische architect Geert Peymen een ‘luwteplek’ noemt: een plek om even uit de dagelijks drukte te ontsnappen.

Peymen is een voorloper op het gebied van ‘verstilling’ in de architectuur en onderzoekt hoe stilte en rust een vast onderdeel van de openbare ruimte kunnen worden. ‘Elke stad heeft waardevolle publieke, semipublieke en private (rest)ruimten die het potentieel hebben een luwteplek te zijn’, stelt hij. Daarvoor is niet alleen de overprikkelde stadsbewoner, maar ook de stad vragende partij. Zo bracht hij voor steden als Gent en Mechelen luwteplekken in kaart, die ze op hun website publiceerden.

Amsterdam en Utrecht inventariseerden stille locaties naar aanleiding van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai en een advies van de Gezondheidsraad waarin werd gewezen op het belang van stille gebieden in de stad die geluidhinder en andere vormen van stress kunnen compenseren.

Met zijn (fictieve) afstudeerplan Stadsklooster Rotterdam gaat architect Jurgen ten Hoeve een stap verder. Hij verbindt luwteplekken in het centrum met elkaar tot een ‘schaduwnetwerk’, als alternatief voor de drukke winkel- en verkeersstraten. Met eenvoudige middelen als gekleurde straatstenen en paviljoens ontwierp hij een wandelroute. Die begint bij het Binnenwegplein en voert via de Jacobustuin naar een achterlangsstraatje met een braakliggend veldje. Vanaf daar kun je via een smalle steeg doorsteken naar de Westersingel. ‘Daar’, wijst hij in de krap anderhalve meter brede steeg, ‘had ik een kluizenaarshotel bedacht. Een spartaanse kamer waar je met een ladder in klimt, een luik dichttrekt en wég bent.’

Er is verbeeldingskracht nodig om een zen-plek te zien in een gang vol airco’s en regenpijpen. Precies daarmee kunnen ontwerpers helpen om stilte in de stad te brengen, denkt Ten Hoeve. ‘Je moet dit soort plekken herkennen, de verborgen kwaliteiten zien én vormgeven.’

Het idee voor het Stadsklooser ontstond vanuit zijn persoonlijke verlangen naar ‘even helemaal niets’ en een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie waarin stress is benoemd als een van de belangrijkste gezondheidsrisico’s. ‘Het leven in de stad, met geluidsoverlast en drukte, draagt daaraan bij’, zegt Ten Hoeve. ‘Burn-outs kosten veel geld, maar het voorkomen van stressklachten is niet één op één te vertalen naar ingrepen in de openbare ruimte. Ontwerpstudies als deze kunnen daarbij helpen.’

Ten Hoeve denkt overigens dat zijn plan goed uitvoerbaar is; de benodigde ingrepen en kosten zijn beperkt. Wel vraagt het om meer samenwerking tussen de gemeente, corporaties die eigenaar zijn van de semipublieke binnentuinen en bewoners.

‘Er is behoefte aan dit soort plekken’, ziet Verzijlbergh in de Jacobustuin. ‘We hebben inmiddels honderd poortsleutels verstrekt aan buurtbewoners die zo ook buiten de openingstijden in de tuin kunnen. Van gezinnen die thuis geen speelplek hebben tot mensen die hun hart willen luchten. Iedereen relaxt hier.’

Tiny Forest Amsterdam: het stille(re) schoolplein

Dat beplanting in de stad bijdraagt aan een beter klimaat en uitzicht op natuur stressgevoelens vermindert, is bekend. Maar door de absorberende werking van planten krijg je ook een stillere stad. Dat zie je langs drukke wegen, maar ook op minder voor de hand liggende plekken als schoolpleinen. Daarom verwerkt architect Renet Korthals Altes, gespecialiseerd in speelplekken in de openbare ruimte, steevast beplanting in haar ontwerpen. Zo verandert zij de geluidsbron die het schoolplein meestal is, in een stedelijk rustpunt.

Een voorbeeld is het vernieuwde plein van basisschool De Schakel in Amsterdam-Zuidoost. Een jaar geleden was dit een grijsbetegelde vlakte, nu groeien er zeshonderd bomen: het eerste tiny forest van Amsterdam. Het concept komt van het Instituut voor Natuureducatie (IVN) dat verspreid over Nederland al 85 minibossen heeft aangelegd waar kinderen leren over natuur. ‘Maar het biedt kinderen ook verstilling in de prikkelrijke dagelijkse omgeving en buurtbewoners ruimte om in het groen te vertoeven of te tuinieren’, zegt de architect.

Korthals Altes berekende dat alle schoolpleinen in de stad bij elkaar de omvang van een groot stadspark hebben, en zag dat ze gelijkmatig verspreid over de stad liggen. Als je de herinrichting van die pleinen slim aanpakt, ligt stilte voor velen binnen handbereik. Zo heeft de architect in de Amsterdamse binnenstad onlangs een schoolplein in een omsloten bouwblok gerenoveerd ‘waar omwonenden gek werden van uitgelaten kinderstemmen die tegen tegels en gevels weerkaatsten’. ‘Met groene gevels, een wilgeneiland en struinbosjes is dat opgelost. Kinderen spelen er fijner, de thuiswerkende buren ervaren stilte, buiten schooltijd vinden zij een groene buurtoase, die zij op hun beurt in de vakanties verzorgen.’

Bouw brood, geen taartjes

Tijdens de eerste lockdown herontdekte Melle Haak, een 22-jarige masterstudent architectuur aan de TU Delft, de schoonheid van zijn eigen lege straat, en zag dat mensen de stilte leken te waarderen. In zijn film Sprekend stil onderzoekt hij de gevolgen van de pandemie voor de architectuur in gesprek met de bekende architecten Herman Hertzberger, Sjoerd Soeters, Nathalie de Vries en Armand Paardekooper. Hertzbergers boodschap voor de toekomst: ‘Je moet goed brood maken, geen taartjes.’

Meer over