Vakbroeders in de grote reportage

In 1955 werkte de latere reus van de reportage Ryszard Kapuscinski als jongmaatje bij een Poolse krant met de opgewekt-communistische titel Vaandel van de Jeugd. De beginnende verslaggever ploeterde door het vernielde Polen van na de oorlog, de klachten van briefschrijvende lezers over dode koeien of uitblijvende elektriciteit achterna. Achter de ruit van rammelende autobussen – auto’s waren er niet of nauwelijks – vroeg hij zich dromerig af wat er achter de horizon zou liggen. De grens over, dat wilde hij. Op een dag werd hij bij zijn hoofdredactrice geroepen, een uit de kluiten gewassen, knappe blondine. Of hij niet eens op reis wilde. Jij wilde toch de grens over? We zenden je uit. Naar India. Kapuscinski was even gevleid als verbouwereerd. Het buitenland sprak tot zijn verbeelding, maar hijzelf sprak geen woord voorbij het Pools. Niets wist hij van India. Het was 1955, Stalin was twee jaar tevoren gestorven, en in die dooitijd verscheen eindelijk de Poolse vertaling van de oude Griekse kroniekschrijver Herodotos. De hoofdredactrice stond op, greep in de kast en daar kwam een dik boek tevoorschijn. Herodotos, Historiën stond in gouden letters op de harde kaft. Om moed te vatten, voor onderweg.

Zo kwam het dat Kapuscinski sinds die eerste reis naar India op al zijn tochten Herodotos in zijn ransel meesleepte. De oude Griek was erbij toen Kapuscinski naar Ethiopië vertrok om te schrijven over de laatste, krankzinnige dagen van Haile Selassi. Het boek werd in 1983 zijn internationale doorbraak onder de titel The emperor. Herodotos lag op het nachtkastje van het hotel in Teheran toen de sjah in 1979 zijn biezen pakte om plaats te maken voor de strenge ayatollah Khomeiny, die vanuit een slaapkamertje in de heilige stad Qom zijn fatwa’s de wereld instuurde (De Sjah aller Sjahs, 1986). Herodotos was present in Angola waar Kapuscinski tijdens de burgeroorlog drie maanden in hotel Tivoli woonde, in de hoofdstad Luanda (Nog een dag, 1988). Kapuscinski en Herodotos konden het uitstekend met elkaar vinden, als reisgezellen, geestverwanten, lotgenoten en niet in de laatste plaats als vakbroeders in de grote reportage.

Vaak was Herodotos Kapuscinski’s enige vriend, zoals toen hij een dagenlange tocht door Ethiopië ondernam met een chauffeur annex gids die als Engels gereedschap uitsluitend beschikte over de woorden ‘Problem!’, respectievelijk ‘No problem!’. Eenzaamheid is tijdens al die avonturen een onnadrukkelijk hoofdthema. In India kon hij geen woord begrijpen. In China kreeg hij van zijn opgedrongen begeleider stelselmatig maar één antwoord, namelijk dat voorzitter Mao het zo had bedacht. Voorbij de grens, dat is het refrein in dit werk en in dit journalistenleven, en voorbij de grens begint als je de lui niet meer verstaat. En het is niet anders: op hetzelfde moment begint ook de eenzaamheid.

Kapuscinski’s prachtige boek Nog een dag, over de burgeroorlog in Angola, opent met een scène waarin de laatste Portugese schepen wegvaren uit de haven van Luanda. Een complete stad slaat halsoverkop op de vlucht, de verhuiskisten wachten acht verdiepingen hoog opgetast op verscheping, terwijl de achterblijvers zwetend van hitte, angst en wanhoop op de kade staan. ‘Dit is een boek over eenzaamheid en verlatenheid’, zo luiden de eerste regels, want ook Kapuscinski kan niet meer weg uit de steeds slonziger en stinkender stad. Vaak vraagt hij zich af waarom hij voor de zoveelste keer in een wespennest verzeild moest raken, in de positie van contactloze eenling, maar die status van ‘nergensondergebrachtheid’, zoals hij het zelf noemt, moet hem een reportersleven lang ook hebben aangetrokken als de lamp de mot.

Sinds dit nieuwe boek weten we dat hij daar in India, China, Teheran en Luanda met zijn tweeën was – samen met Herodotos, troost in bange dagen en in hotelkamers met kakkerlakken. Een vademecum is het niet, net zo min als het memoires zijn of sterke verhalen uit de oude journalistieke doos. Kapuscinski wisselt scènes uit zijn eigen reizigersleven af met besprekingen van fragmenten uit de Historiën. Soms vallen ze samen, bijvoorbeeld als de journalist in het ziedende Teheran moe wordt van de dagelijkse betogingen van opgedraaide Iraniërs tegen de sjah, en er een dagje tussenuitknijpt om te zien wat er nog van het Persepolis rest dat hij kent uit de verhalen over de Xerxessen en Dariussen van Herodotos.

Zo gek veel liepen hun werkmethoden niet uiteen. Kapuscinski moest nogal eens met lede ogen toekijken hoe collega’s van rijkere kranten en persbureaus konden beschikken over wereldontvangers, telexmachines en abonnementen op buitenlandse kranten. Zijn eigen krant Vaandel van de Jeugd en later het Poolse persbureau PAP konden zich al dat moois niet veroorloven. De correspondent moest domweg de deur uit, de straat op, om in Dar es Salaam als hij daar toevallig was bij de buren of op de markt te informeren of er nog iets gebeurd was, in Tanzania of in de rest van Afrika.

Al bij al deed Herodotos ruwweg hetzelfde toen hij een kleine tweeënhalf duizend jaar eerder verhaalde over zijn tochten naar Egypte, Perzië of de omstreken van de Zwarte Zee. Wat Kapuscinski aangaat was dat niet alleen een armoedige, maar ook een gelukkige omstandigheid, want saaie diplomatenkopij heeft hij nooit kunnen aanleveren. Zoals ook zijn heldere, eenvoudige en bescheiden stijl iets van doen moet hebben met zijn Poolse achtergrond. Nooit schrijft hij over zijn exotische avonturen met het dedain van de snob, zoals V.S. Naipaul. Ook in dit boek blijft hij de wat timide vertegenwoordiger van een land dat zelf eeuwenlang niet zeker wist of het eigenlijk wel bestond.

Al vlot in Reizen met Herodotos constateert Kapuscinki dat zijn reisgenoot ‘ziet dat zijn wereld verdeeld is, dat die in Oost en West uiteenvalt, dat het twee gebieden zijn die zich in staat van on-enigheid, conflict, oorlog bevinden’. Herodotos uit Halikarnassos, een Griekse stad in Klein-Azië, leefde van circa 484 tot 430 voor Christus. Hij was de chroniqueur van de Grote Perzische oorlog, de botsing die met de Griekse overwinning een beslissende wending aan de wereldgeschiedenis zou geven. De spiegel daarvan in het leven van Kapuscinski zelf was uiteraard de Koude Oorlog. Die schemert alleen hier en daar, bijna terloops, tussen de regels door, als hij weer eens naar Warschau moest terugkeren wanneer er een periode van communistische dooi was afgelopen. Die Koude Oorlog blijft voorzover ik weet in Kapuscinski’s hele werk vrijwel onbesproken.

Begrijpelijk, want het grootste deel daarvan kwam tot stand in een tijd dat de communistische partijbazen van Polen vonden dat zelfs Herodotos staatsgevaarlijk was. Dat legt Kapuscinski mooi uit: een boek zo rijk aan beelden, metaforen en parabels leende zich in een samenleving waar vooral gezwegen wordt, uitstekend voor dubbele bodems en geheim gecodeerde boodschappen. Hij geeft het voorbeeld van het verhaal over de tiran van Milete, die een beginnende collega uitlegt hoe hij de wind eronder moet houden bij zijn volk. Ze liepen met z’n tweetjes door een bloeiend korenveld, en elke korenaar die zijn kopje boven de rest uitstak werd subiet afgesneden. Toen Kapuscinski begin jaren vijftig college volgde aan de universiteit, viel zelfs de náám Herodotos niet.

Zelf hield Kapuscinski zich altijd verre van ideologische toespelingen. Sterker: zijn voorkeur voor reizen naar de Derde Wereld moet ermee te maken hebben gehad dat daar een betrekkelijke journalistieke vrijplaats was, een witte plek op de kaart van een tussen Russen en Amerikanen verkavelde wereld. En af en toe, als er voor de zoveelste keer een antiliberale campagne was begonnen en de neuzen thuis in Polen marxistisch in het gelid werden gezet, dan werd Kapuscinski, in Somalië of een ander godverlaten oord, eenvoudigweg vergeten.

Misschien ook wel vanwege zijn langdurige afwezigheid in Warschau past zijn wereldbeeld aanmerkelijk minder bij het IJzeren Gordijn dan bij Herodotos. Uitleggen ‘waarom mensen oorlog voeren, wat daarvoor de redenen zijn’, dat was de opdracht die Herodotos zichzelf aan het begin van zijn Historiën stelde. Kapuscinski volgt hem in zijn verklaringen, die nooit te maken hebben met klassenstrijd of ander ideologisch ongerief, maar wijzen naar het algemeen menselijk tekort, vervat in wat hij verwoordt als de vier wetten van Herodotos – de wet van de wraak, vergelding, oog om oog; de tweede wet die behelst dat menselijk geluk nooit bestendig is, en de derde die zegt dat het noodlot voor iedereen onontkoombaar is, zelfs voor de goden. Kapuscinski vergelijkt de campagne van de Perzische koning Cyrus met de roekeloze veldtocht van Napoleon tegen Moskou. ‘De Pers en de Fransman worden door dezelfde hartstocht geregeerd: overheersen, veroveren, bezitten. Beiden lijden een nederlaag, omdat ze de Griekse wet overtreden, de wet van de matigheid: nooit te veel willen, niet alles wensen.’ De vierde wet: hoogmoed komt voor de val.

Bovenal herkende Kapuscinski in Herodotos een vakbroeder, een ambachtsman in het beschrijven van grote kwesties met beperkte middelen. ‘In de wereld van Herodotos’, schrijft hij, ‘is de mens vrijwel de enige beheerder van het geheugen. Om door te dringen tot hetgeen onthouden is, moet je doordringen tot de mens, en als hij ver weg van ons leeft, dan moeten we naar hem toe gaan, ons op weg begeven, en als we dan eindelijk bij elkaar zijn, dan moeten we gaan zitten en luisteren naar wat hij ons te zeggen heeft, het onthouden, misschien opschrijven. Zo begint de reportage, zo wordt die geboren.’

Hoe pakte die Herodotos het aan? Hij kijkt rond, praat, luistert en noteert, probeert te controleren, vergelijkt verschillende versies, formuleert ook zijn eigen standpunt over de grote dingen van het leven, ‘maar (hij) kiest voornamelijk de meest concrete, de gebeurtenissen die voor zijn ogen geschiedden of waaraan de herinnering nog vers en levend is’ – daar kan menig reportageschrijver nog wat van opsteken. Hij schrijft net als Kapuscinski als een camera – show, not tell. En als hij niet helemaal zeker is, houdt hij een slag om de arm. ‘Of het waar is weet ik niet, ik schrijf alleen dat wat men mij vertelt*’ Herodotos is niet alleen historicus maar ook antropoloog, en doet zijn reportersplicht, ook al is het verhaal dat hem nu weer is opgedist onwaarschijnlijker dan hij zich kan voorstellen. Juist die verhalen leest Kapuscinski handenwrijvend van genot, zoals over de Massageten, een voor de Grieken onbekend volk. ‘Wanneer een man daar zin in een vrouw krijgt, hoeft hij alleen zijn pijlkoker aan de voorkant van haar woonwagen te hangen en kan daarna rustig zijn gang met haar gaan. Er is daar maar één manier om aan te geven dat de tijd om te sterven is gekomen. Als een man heel oud is, komen alle verwanten bij elkaar om hem samen met een aantal schapen te offeren. Al het vlees wordt gekookt en met smaak verorberd.’

Dit is Herodotos, maar het had net zo goed Kapuscinski kunnen zijn ergens in het hart van duister Afrika – vooral de waarneming dat het vlees van de overledene niet alleen wordt opgegeten maar met smaak naar binnen wordt gewerkt, had ook uit zijn pen kunnen vloeien. Vanwege de verbazing, de uitweidingen, de vertellingen van horen zeggen geeft Kapuscinski de voorkeur aan Herodotos boven de veel strengere Thucydides, die een paar decennia later de Peloponnesische oorlog zou verslaan. ‘Hij moet een vrolijk, ontspannen en vriendelijk mens zijn geweest, want alleen aan dit soort mensen kunnen vreemdelingen hun geheimen onthullen’, schrijft Kapuscinski over zijn idool. En natuurlijk gaat dat in commissie over hemzelf. Zoveel is er in 25 eeuwen niet veranderd. Het communisme is intussen verdwenen. De wet van de wraak, die van het noodlot, van het ongeluk en de hoogmoed zijn nog helemaal intact. Zo zijn de mensen, is de boodschap van Herodotos, en in zijn kielzog Ryszard Kapuscinski. Geen vrolijke boodschap, wel een prachtig sinterklaascadeau voor beginnende journalisten en andere aanstormende reportageschrijvers. En meer in het algemeen voor iedereen die dacht dat alle wijsheid die ouder is dan drie jaar, wel met het grofvuil meekan.

Ryszard Kapuscinski: Reizen met Herodotos. Vertaald uit het Pools door Ewa van den Bergen-Makala. De Arbeiderspers; 263 pagina’s; ¿ 18,95. ISBN 90 2956 323 0.

Meer over