Utrechtse variant van het surrealisme

MET DE ROMANS van Edzard Mik heeft het surrealisme opnieuw zijn intrede gedaan in het Nederlandse proza. Niet in zijn vrolijkste gedaante, zoveel is duidelijk - Mik is eerder de vertegenwoordiger van de beklemmende, ronduit sinistere versie die je met enig gevoel voor associatie zou kunnen benoemen als de Utrechtse...

Zijn eerste roman, De bouwmeester, vorig jaar verschenen, begon even onwerkelijk als huiveringwekkend. Een man heeft in een Aziatisch hotel een kamer gereserveerd, die bij aankomst geheel leeg blijkt te zijn. Pas na enige tijd begint het personeel het meubilair naar binnen te slepen: een bureau, twee fauteuils, een schemerlamp, een salontafel. Eerst spijkeren ze nog een reproductie van Delacroix aan de muur, ze schroeven de nachtkastjes vast, en pas op het laatste moment komen ze met het bed. Op de vraag van de hotelgast wat dit alles te betekenen heeft, volgt de absurde verklaring: 'In dit hotel stellen wij prijs op hygiëne.'

En het is alsof de hoofdpersoon met een hem onbekend waardenstelsel wordt geconfronteerd, alsof er in hem een kern van naïviteit wordt blootgelegd die hij zelf niet eerder heeft opgemerkt. Alsof al zijn vroegere waarnemingen door onnaspeurbare denkfouten altijd ongeldig waren geweest.

Een soortgelijk mechaniek is de drijvende kracht in Miks tweede roman, Yak, zo genoemd naar een in Tibet voorkomend runderras (Bos grunniens), dat op vier kilometer hoogte leeft en waarvan de exuberante beharing gebruikt wordt om touw te maken. In bepaalde streken van Tibet vormt de mest van de yak de enige plaatselijke brandstof. Bij Edzard Mik is het dier het handelsmerk van een multinationale organisatie die, op een manier die het midden houdt tussen Tupperware en Herbalife, een haargroeimiddel aan de man probeert te brengen.

Op zichzelf zou dat thema het uitgangspunt hebben kunnen zijn voor een satire, maar het omgekeerde is het resultaat. Miks boek is van begin tot eind doordrongen van een fysiek onaangename, afstotende wereld waarvan het stramien niet zozeer wordt bepaald door list en bedrog maar eerder nog door willekeur en een aan het onherbergzame grenzende sfeer van ongerijmdheid. Het is niet het constructieprincipe van de dubbele bodem, het gaat veel verder. Waar het aan doet denken is aan een showproces, aan een toestand waarin elk verband tussen actie en reactie of hoor en wederhoor bestierd wordt door krachten die met logica geen enkele intieme relatie onderhouden. Zo ziet de werkelijkheid eruit, nadat zij voor de rede ontoegankelijk is gemaakt.

De moeilijkheid daarbij is dat Mik - en ongetwijfeld is dat zijn opzet geweest - ook de begrenzingen van het literaire begrip van zijn lezers zwaar onder vuur neemt. De regelmatig terugkerende vraag welk type touw nu weer eens waaraan moet worden vastgeknoopt (en aan welke architectuur die knoop zou moeten beantwoorden), welke verborgen verbindingen moeten worden getraceerd, en zelfs de kwestie of er van zo'n verborgen verbinding überhaupt sprake is - al die vragen stapelen zich in zo'n meedogenloos tempo op dat het boek zich in laatste aanleg tegen elke interpretatie lijkt te verzetten.

De hoofdpersoon is een advocaat die Citroen heet. Op een avond komt hij terecht op een bijeenkomst waar ene Giorgio Padlina zal spreken over de wonderen van het middel Yak, een product tegen zowel ongewenste aangezichtsbeharing als kaalhoofdigheid. Het spul wordt verkocht via een systeem van distributeurs, die zelf een percentage van de winst ontvangen en opklimmen in de hiërarchie door weer nieuwe distributeurs te werven. Padlina is verkoopleider voor Nederland, tevens 'member' van de wereldwijde Council of Ambassadors.

Onmiddellijk ziet Citroen Padlina aan voor een bedrieger: hij meent dat deze zijn vader is, een chirurg, van wie altijd was aangenomen dat hij zelfmoord had gepleegd. Zelf zegt Padlina dat hij een doodgewone metselaar is die dankzij Yak fortuin heeft gemaakt. Het eigenaardige is dat Citroens moeder in Padlina niet haar voormalige echtgenoot herkent en haar dunner wordend kapsel zonder reserve aan hem toevertrouwt. Overigens blijkt Padlina getrouwd met een Chinese vrouw en is er verderop in het verhaal sprake van een maîtresse.

Citroen besluit mee te doen aan datgene wat hij zelf aanziet voor een complot. Het levert een aantal prachtige scènes op, onder meer in een Hoog Catharijne-achtig complex waar geprobeerd wordt onbereidwillige passanten het wondermiddel aan te smeren. De zwakte van de constructie blijkt echter uit de hulpmiddelen die Mik nodig heeft om haar in stand te houden: Citroen wordt door Padlina 'vaderlijk' op de schouder geklopt, maar als de zelfverzekerde verkoopleider nauwelijks klandizie voor zijn koopwaar weet te vinden, glimt Citroens gezicht 'van kwaadaardige spot'.

Des te sterker zijn de passages waarin de werkelijkheid zoals die zich aan Citroen voordoet en zoals hij haar zelf interpreteert, volledig samenvloeien. Met name aan het eind - wanneer Citroen in het Amerikaanse Atlanta de conferentie van de Council of Ambassadors weet te verstoren door voor het aangezicht van de internationale Yak-elite zijn vader, Padlina, voor moordenaar uit te maken, waarna diens nek 'rood kleurt boven zijn ivoorwitte kraag' - weet Mik de materie uit te tillen boven de vraag wie wie en wat wat is.

Jammer dat Citroen aan het eind van het boek zijn waanzinnige race onderbreekt door op zijn horloge te kijken, omdat hij zijn vliegtuig niet wil missen. In zijn trivialiteit is dat een literair zwaktebod. Maar de lezer, die zich intussen heeft voorgesteld welke schitterende speelfilm er van deze roman is te maken, heeft al lang begrepen dat Yak niet zomaar een alledaagse roman is, maar een scenariovoorstel dat zonder mankeren door het Produktiefonds in behandeling kan worden genomen.

Melchior de Wolff

Edzard Mik: Yak.

De Arbeiderspers; 145 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 295 3048 0.

Meer over