Columnsylvia witteman

Uitgebreid beschrijft Bonnie St. Claire haar talloze verhuizingen. Werden de drinkgelagen ook maar zo royaal opgedist!

null Beeld

Er stond afgelopen week een interview met Bonnie St. Claire in de krant, over haar autobiografie Kwam een vrouw bij de slijterij. Het was een leuk interview en ik kocht het boek, me verheugend op de verhalen over drankmisbruik, vreemdgaan, slechte mannen en verkeersongelukken.

‘Mijn jeugd: we waren het schoolvoorbeeld van een happy family’ heet het eerste hoofdstuk. Dat hoor je niet vaak, dus ik was benieuwd: ‘Mijn ouders waren toentertijd schippers, ik ben letterlijk geboren op de binnenvaart. Ik kon als baby echter niet aan boord blijven en daarom besloten mijn ouders mij tijdelijk bij een speciaal internaat voor schipperskinderen in Amsterdam onder te brengen.’ Vreemd. Hoezo kan een baby niet aan boord blijven? Een baby hoeft toch niet naar school? En waarom bleef haar zusje dan wél op het schip? We komen het niet te weten. Wel lezen we hoeveel ze van Amsterdam houdt, haar Mokum, waar ze haar hart ‘voor altijd aan verpand heeft’, jawel, en ook hoe goed ze werd opgevoed:

‘Normen en waarden werden door onze ouders met de paplepel ingegoten en wij moesten ons tegen andere mensen beleefd gedragen. Hier ben ik mijn vader en moeder altijd dankbaar voor geweest, want gedurende mijn hele leven heb ik hier profijt van gehad. Beleefd zijn en respect hebben staan bij mij tot op de dag van vandaag hoog in het vaandel.’

Proza als mul zand, maar wacht, hier werd het leuk: ze dronk als kind al de restjes op uit de glaasjes van de visite. ‘Ik vond de bessenjenever en advocaat toen al lekker. Dat moet haast wel, want geen enkel kind zal vrijwillig iets drinken dat hij niet lekker vindt.’ No shit, Sherlock!

Haar relaas kabbelt voort volgens de ‘en toen, en toen, en toen’-methode die ons, als 10-jarigen op de lagere school, bij het opstel schrijven afgeleerd werd door de juf van de vierde klas. ‘Wij hadden leuke vrienden die vaak kwamen eten en ik trok veel op met Eileen Engels, die een praktijk had voor vrouwen met postnatale depressies. Haar man Piet was een kunstglasblazer en ik ging vaak bij hen op visite. Zij waren ook weer wederzijdse vrienden van Anneke Grönloh en haar man Wim-Jaap. Anneke nodigde ons af en toe uit om allemaal te komen eten.’ God allemachtig.

Ook de talloze verhuizingen komen uitgebreid aan bod. ‘Bas sausde de hele woning met een lichte zalmkleur die ik had uitgezocht. Ik koos voor lichte, ivoorkleurige meubels en kocht een sfeerrijk open haardje. Op het plafond maakte Bas langs de randen fraaie sierlijsten. Via Nel, mijn Amsterdamse buurvrouw in Tiel, kwam ik aan een leuke witte eethoek. Op de vloer werd een zalmkleurig tapijt gelegd.’

Werden de drinkgelagen ook maar zo royaal opgedist! Maar wat dat betreft blijft het vaak bij een karig ‘het werd me allemaal even te veel, ik greep naar de fles, en was een paar dagen onder zeil’ of ‘ik had ruim twee jaar droog gestaan maar haalde af en toe weer een fles wijn of port’. En dan komt er wéér een verhuizing, een beschrijving van een hotelkamer, de (onterechte) bewering dat Ron Brandsteder een ‘woest aantrekkelijke man’ is en de belofte dat een of andere noodlottig gestorven BN’er ‘voor altijd een speciaal plekje in mijn hart zal houden’.

Boerend na dit lauwe bord pap met amper krenten sloeg ik het boek dicht en klikte Dokter Bernhard op YouTube aan. ‘Zeg me alleen de waarheid maar/ is hij nu niet meer in gevaar/ Dokter, ik ben zo bang.’ Heerlijk. Verrukkelijk. Wat een stem.

Wie zo kan zingen hoeft toch geen boeken te schrijven?

Meer over