UITBARSTING VAN CREATIVITEIT

Het Britse label Factory stak zijn platen in prachtige hoezen. Voor het eerst werkten muzikanten en ontwerpers samen. Het resultaat is nu weer te zien in een overzichtsboek....

GIJSBERT KAMER

Een pikzwarte kartonnen hoes met in het midden een abstract plaatje samengesteld uit witgrijze lijnen. Iets anders is er niet te zien op deze platenhoes. Draai je hem om dan zie je in kleine letters ‘Joy Division’ en iets vetter gedrukt ‘Unknown Pleasures’. Onderaan tref je nog de regel: FACT 10 A Factory Records Product. Daar moet je het mee doen.

Het is 1979 en in de platenzaak tref je steeds opvallender verpakte elpees aan. Ook Fear Of Music van Talking Heads heeft een kale zwarte hoes, maar daar staan voorop tenminste de titel en de artiest vermeld. Déze hoes oogt een stuk mysterieuzer. Wie spelen er op de plaat? En heet de band nu Joy Division of Unknown Pleasures? Wat doet het er eigenlijk ook toe: een plaat die er zo uitziet, moet wel belangwekkende muziek bevatten.

En dat deed het.

Nu weten we dat de plaat het debuutalbum van de Britse popgroep Joy Division was, verschenen op het kleine onafhankelijke Factory-label. Ook weten we dat Factory tussen 1978 en 1992 veel van de beste Britse popplaten uitbracht. Van bands als Joy Division, New Order en Happy Mondays – muziek die van grote invloed bleek op het verdere verloop van de popgeschiedenis. Behalve platenlabel was Factory ook nog de uitbater van wat eind jaren tachtig de beroemdste discotheek ter wereld zou worden: The Haçienda.

Daarnaast schreef Factory geschiedenis door de werkelijk ongekend fraaie verpakkingen van platen en cassettes. Experimentele ontwerpen die het verhaal vertellen van een van de meest opmerkelijke en eigenzinnige Britse muziekuitgevers, die niet, zoals gebruikelijk, in Londen gevestigd was. Maar in Manchester. In de periferie.

Luisteren naar de beste Factory-producten is nooit moeilijk geweest, alles van bijvoorbeeld Joy Division en New Order is nog steeds leverbaar, en er verschijnen regelmatig compilaties met wat meer obscuur werk van het label. Maar de verpakking van toen krijg je er niet bij. Alleen daarom valt de publicatie van Factory Records, The Complete Graphic Album toe te juichen. Een boek waarin op fraai papier alle hoesontwerpen ruim bemeten staan afgebeeld.

Ineens besef je waarom Factory een label was dat producten uitbracht waar je niet alleen naar wilde luisteren, maar waar je ook graag naar keek. Beroemd is nog altijd de ‘graftombe’ hoes van Joy Divisions tweede album Closer, dat in de zomer van 1980 verscheen, twee maanden na de zelfmoord van Ian Curtis. Hoesontwerp en typografie waren overigens al voor zijn dood door de band goedgekeurd. Even legendarisch is de als een uitvergrote floppy-disc ogende 12-inch single Blue Monday van New Order, uit 1983.

Maar ook de mindere goden kregen alle aandacht van de design-afdeling van Factory – Stockholm Monsters, Crispy Ambulance en The Wake: hun muziek klinkt niet alleen nu lachwekkend gedateerd, dat deed ze toen ook al. Desondanks werden hun albums verpakt in de mooiste vormgeving. Het ging zelfs zo ver dat je een plaat als Always Now van Section 25, waar je eigenlijk geen pest aan vond, maar kocht vanwege de gele hoes, van alweer fraai karton, die je als een enveloppe moest openvouwen zodat er een zeldzaam mooi blauwgekleurde binnenkant zichtbaar werd.

De meeste hoesontwerpen waren van de hand van van Peter Saville, die zich in 1978 meldde bij de oprichter en manager van het Factory-label, Tony Wilson. Peter Saville’s herkenbare stijl met veel strakke lijnen en een strenge typografie kreeg binnen en buiten Factory veel navolging – zozeer zelfs dat ‘Saville’ en ‘Factory’ als synoniemen voor elkaar werden gebruikt. Ten onrechte, blijkt nu uit Factory Records. Want Factory kende ook ontwerpers die dwars tegen Saville’s stijl ingingen, zoals het collectief Central Station Design, dat vanaf 1985, als het zijn eerste hoes voor de Happy Mondays ontwerpt voor het uiterlijk van Factory minstens zo belangrijk wordt als Peter Saville. Zo strak als Saville het werk van Joy Division verpakte, zo weelderig ging Central Station Design te werk met Happy Mondays. Waar je op de platen van New Order vergeefs zocht naar bandnamen en titels, schreeuwde de informatie van de Happy Mondays platen af. Bovendien deinsde Central Station Design, anders dan Saville, niet terug voor het gebruik van (bewerkte) foto’s van de bandleden.

Hoe verschillend ook, beide huisstijlen braken met zo ongeveer alle heersende conventies in de vormgeving van geluidsdragers. En dat is precies waar het Tony Wilson altijd om te doen is geweest. Wilson hechtte meer dan gewoon belang aan de verpakking van zijn muziek. ‘Omdat’, zo stelt hij in de inleiding van Factory Records, ‘onze opdracht een heilige was. Muziek had het leven van ons, de kinderen van de jaren zestig, veranderd. Nu verkeerden we in de bevoorrechte positie zelf platen uit te brengen. En schenkt de katholieke kerk zijn wijn in muf aardewerk? Ik dacht het niet.’

Alles van Factory moest mooi zijn en het liefst met de hand gemaakt. Nieuw aan de aanpak van Wilson was bovendien dat hij ontwerpers en muzikanten vaak samen liet werken. Muzikanten kregen niet alleen inspraak, ze werden ook verantwoordelijk voor hun artwork. Daarmee zette Factory een trend die tot de dag van vandaag navolging heeft gekregen. Muzikanten en ontwerpers die samen aan een product werken – het is een methode die bijvoorbeeld de Britse techno-act Underworld, die gelieerd was aan designer-collectief Tomato, mede groot heeft gemaakt.

Voor Wilson was Factory ‘een laboratoriumexperiment in populaire kunst’. En alles wat Factory ondernam was hierdoor anders dan gebruikelijk.

Zoals ook de oprichting van The Haçienda in Manchester, een club die tot 1987 zware verliezen leed omdat er niemand kwam, en na die tijd (in de jaren negentig werd de club gesloten, het pand is inmiddels gesloopt) omdat de bezoekers niets anders dronken dan kraanwater en hun consumptiegedrag beperkten tot het slikken van xtc. Maar hoe groot het financiële debacle van de Haçienda ook werd (de band New Order, mede-eigenaar van Factory, zag al zijn inkomsten in Wilsons prestige-object verdwijnen), de club speelde tussen 1987 en 1991 een niet te overschatten in internationale popularisering van housemuziek.

Het bijna naïeve enthousiasme van Tony Wilson en de onnavolgbare logica die aan de basis stonden van opkomst en ondergang van Factory wordt op onnavolgbaar geestige manier verteld in Michael Winterbottoms film 24 Hour Party People (2002). Aan het begin zien we Tony Wilson (gespeeld door Steve Coogan) tegen iemand hoog opgeven over een band die hij heeft zien optreden. ‘Ik zou zeggen dat er hier geschiedenis is geschreven’, aldus Wilson. Zijn gesprekspartner sputtert wat tegen. Het concert waar Wilson het over heeft, een optreden van de Sex Pistols in de Lesser Free Trade Hall in Manchester in juni 1976 had hooguit vijftig man publiek getrokken. Maar Wilson laat zich niet uit het veld slaan. Om geschiedenis te maken doet het aantal betrokkenen bij een gebeurtenis er niet toe: ‘Hoeveel mensen waren er bij het Laatste Avondmaal?’

‘Twaalf. Dertien als je Jezus ook meetelt.’

‘Well, there you go’.

Die avond, 4 juni 1976, zou het begin markeren van een enorme uitbarsting aan creativiteit in Manchester. Het was de eerste keer dat de band van Johnny Rotten buiten de Londense ringweg speelde. Op uitnodiging van een stel bepukkelde jongens, Peter McNeish en Howard Trafford. Na een bericht in de New Musical Express waren zij naar Londen gegaan voor een concert van de Sex Pistols, en vervolgens kregen ze manager Malcolm McLaren ook nog zover de punkband naar hun stad te laten komen. Howard en Pete (die hun naam veranderden in Howard Devoto en Pete Shelley) zouden met hun pas opgerichte punkband de Buzzcocks het voorprogramma doen.

De Buzzcocks haalden het overigens niet – de organisatie vergde te veel tijd. Maar op 20 juli, de tweede keer dat de Sex Pistols in dezelfde zaal in Manchester optraden, staan ze er wel.

Wie op een van die beide avonden aanwezig was, werd besmet met het punkvirus. De opwinding, energie en chaos die de Sex Pistols teweegbrachten, inspireerden alle aanwezigen zelf ook een band, label of muziektijdschrift beginnen. The Smiths, Joy Division en Factory hadden zonder dit optreden wellicht niet bestaan. Manchester raakte in de greep van de do-it-yourself-mentaliteit. Vanwege de grote afstand tot Londen, het epicentrum van de muziekindustrie, kwam al snel het besef dat wilde je gehoord worden je alles zelf moest doen. Van platen opnemen tot het fabriceren en uitbrengen ervan.

Ook de Buzzcocks brachten hun eerste single Spiral Scratch EP in eigen beheer uit. Het succes (16 duizend in plaats van de beoogde vijfhonderd verkochte exemplaren) bevestigde het idee dat wie muziek wilde maken, niet met demo’s naar Londen hoefde, waar de platenindustrie gevestigd was.

Geen van die nieuwe labels zou echter zo’n groot stempel drukken op de popcultuur als Factory, dat in 1978 zijn eerste item met catalogusnummer Fac 1 zou uitbrengen. Geen plaat maar een poster voor een door Wilson georganiseerde clubavond. De eerste plaat op het label, Fac 2, was de dubbelsingle A Factory Sample met onder meer Joy Division en Cabaret Voltaire. Berucht is nog altijd catalogusnummer Fact 14 (lp’s gingen vooraf door ‘Fact’): de in schuurpapier verpakte lp van The Durutti Column die omringende platen veel schade berokkende.

Verzamelaars die de Factory-catalogus compleet op nummer in de kast wilden hebben, werden van meet af aan ontmoedigd. Vier nummers betreffen bijvoorbeeld de huisstijl van het schrijfpapier. Fac 51 is een gebouw, The Haçienda, dat Fac 215 en 216 als huiswijn zou krijgen.

Met Factory Records, The Complete Graphic Album worden veel raadsels opgelost. Zo weten we nu eindelijk wat er toch achter nummer 99 schuilgaat: ‘Molar Reconstruction, Rob Leo Grettons Mouth/Event 1984’. Een kunstwerk dan wel tentoonstelling? Nee, de tandartsrekening van New Order-manager Rob Gretton.

Gevoel voor humor kun je de ondernemers van Factory niet ontzeggen, zakelijk inzicht wel. Factory en het daaraan gelieerde The Haçienda zouden beide in de jaren negentig failliet gaan.

Maar het belang van Factory is niet te overschatten. Los van de muziek en het beeld dat ze hebben voortgebracht, is het de mentaliteit nog altijd in de hedendaagse pop terug te vinden. Zo laten Lily Allen en Arctic Monkeys vandaag de dag opnieuw zien dat je net als al die bands uit de lichting 1976 geen grote platenmaatschappij nodig hebt om de aandacht op je te vestigen. Beiden werden bekend door hun liedjes te plaatsen op de internetsite Myspace.com.

Het medium is veranderd, de intentie hetzelfde. Maar wie durft nu nog een ‘laboratorium experiment in populaire kunst’ aan?

Meer over