Uit het verre land van de grote vragen

Ruim duizend brieven schreef de Duitse filosoof Martin Heidegger tussen 1915 en 1970 aan zijn echtgenote Elfride. Alles stond in dienst van Heideggers roeping – zelfs zijn buitenechtelijke affaires....

Je moet wel goede redenen hebben om de persoonlijke brieven van een filosoof in de openbaarheid te brengen, wil je de toekomstige lezer niet de rol van voyeur opdringen.

Gertrud Heidegger, kleindochter van Martin Heidegger, kreeg in 1977, een jaar na zijn dood, de beschikking over de brieven die hij tussen 1915 en 1970 aan zijn echtgenote Elfride schreef. Het was Elfride zelf die ze haar ter hand stelde. Ze liet het aan het oordeel van haar kleindochter over wat die met de brieven zou doen: verbranden of uitgeven. In 2005 verscheen in Duitsland een selectie uit de ruim duizend brieven en briefkaarten, bezorgd door Gertrud Heidegger zelf (waarbij je je kunt afvragen of dat nu wel de aangewezen persoon is, maar de Heideggers houden de dingen nu eenmaal graag in eigen hand). Deze brievenselectie is onlangs in een Nederlandse vertaling verschenen.

Gertrud geeft drie redenen waarom zij tot publicatie is overgegaan. De brieven zouden ten eerste informatie verschaffen over Heideggers verhouding tot het nationaal-socialisme; ten tweede zouden ze licht werpen op het ontstaan van Heideggers filosofische denkbeelden; ten derde zouden ze een beeld schetsen van een bewogen huwelijk.

Over het eerste punt, Heideggers houding ten opzichte van het nationaal-socialisme, kunnen we kort zijn. De brieven voegen hoegenaamd niets toe aan wat er tot nu toe bekend was. Uit het cruciale jaar 1933 bijvoorbeeld, waarin Heidegger zich uit hoofde van zijn functie, rector van de universiteit van Freiburg, het innigst aan het nazisme committeerde, is zegge en schrijve één brief bewaard gebleven.

Uit andere brieven van Heidegger aan zijn vrouw blijkt dat hij haar heeft opgedragen op zijn minst een paar brieven te verbranden. Het is verder aannemelijk dat Elfride in een later stadium de voor haar man compromitterende brieven op eigen initiatief verbrand heeft. Wat wel uit de brieven blijkt is dat Heidegger een grote afkeer had van de Weimar-republiek en sympathieën koesterde voor de conservatief-revolutionaire beweging. Ook treffen we in de brieven geregeld antisemitische uitlatingen aan. Zo schrijft hij op 18 oktober 1916: ‘De verjoodsing van onze cultuur en universiteiten neemt overal schrikbarende vormen aan en ik ben van mening dat het Duitse ras veel innerlijke kracht moet aanwenden om hogerop te komen.’

Overigens wist hij tegen wie hij het zei. Elfride heeft haar leven lang geen geheim gemaakt van haar antisemitische levensovertuiging (‘wat echter geen invloed had op haar vriendschappelijke relaties’, zo voegt haar kleindochter er geruststellend aan toe). Ook over het ontstaan van Heideggers filosofische denkbeelden geven de brieven niet veel uitsluitsel. Daarvoor kan men beter terecht bij de Gesamtausgabe, waarin alle geschreven artikelen, alle colleges en lezingen in chronologische volgorde gepubliceerd zijn. Wel geven ze een indruk hoezeer zijn leven in het teken van de filosofie stond, of, beter gezegd, hoezeer hij zijn leven ondergeschikt maakte aan de filosofie. Hij spreekt geregeld over zijn ‘filosofische roeping’ en schroomt niet zijn tekortschieten waar het zijn huwelijk en gezin betreft, daarmee te verontschuldigen. Hij is de filosoof die zondags het vlees snijdt.

Over het huwelijk tussen Martin en Elfride zijn deze brieven daarentegen uiterst verhelderend. Alleen al het aantal duidt erop hoe weinig tijd ze in elkaars fysieke nabijheid doorbrachten. Heidegger is veel onderweg voor lezingen, congressen en dergelijke, maar ontvlucht ook vaak zijn gezin om rustig te kunnen werken.

Ook hier geldt: alles in dienst van zijn filosofische roeping. Al in een van zijn eerste brieven laat Heidegger daarover geen misverstand bestaan. Hij schrijft dat híj en zijn filosofische besognes het middelpunt zullen vormen van hun toekomstige huwelijksleven: ‘Er staat me een hoogwaardig leven te wachten, waarin ik me helemaal op mijn problemen mag storten en jij toch om me heen bent – en me rust schenkt als ik moe terugkeer uit het verre land van de grote vragen.’ Elfride was dus al vroeg gewaarschuwd. Maar het is ook niet de dienstbaarheid aan de filosofie die haar opbreekt en het huwelijk onder spanning zet. Dat zijn de vele buitenechtelijke relaties die Heidegger onderhield, waarvan die met de filosofe Hannah Arendt de bekendste is.

Eerlijkheidshalve dient gezegd dat het Elfride zelf was die de trend zette. Amper een jaar na de geboorte van haar eerste zoon pleegt ze overspel met haar jeugdvriend Friedel Caesar. In een dramatisch nawoord bij deze brievenuitgave bekent Hermann Heidegger, Elfrides tweede zoon, dat zijn moeder hem op 14-jarige leeftijd onthulde dat niet Martin maar zijn peetoom Friedel Caesar zijn biologische vader was. Martin deed er niet al te moeilijk over en erkende Hermann als zijn wettige zoon.

Daarna was, althans voor Martin, het hek van de dam. Tot op hoge leeftijd onderhield hij intieme relaties met verschillende van zijn studentes, tot verdriet en wanhoop van Elfride. In een briefontwerp uit 1956 lucht ze haar hart: ‘Steeds weer zeg en schrijf je dat je je met mij verbonden weet – welke band mag dat dan wel zijn? Niet die van de liefde, niet die van het vertrouwen, bij andere vrouwen zoek je “een thuis” – ach Martin – wat voel ik me ellendig – en dan die ijzige eenzaamheid.’

En wat zegt Martin? ‘Als mijn bestaan zonder passie is, verstomt de stem en stroomt de bron niet meer.’ Hij doet het met andere woorden allemaal voor de filosofie. Bovendien ‘dringen de vrouwen zich [aan hem] op’.

En zo voel je je ten slotte toch een beetje een voyeur. Maar dat moet je er dan maar voor over hebben, wil je de filosoof Heidegger, voor wie filosofie en leven zo nauw met elkaar verweven waren, beter leren begrijpen.Hans Driessen

Meer over