Uit de schaduwwereld van de kreupelen

Behalve afschuwelijke zitten er ook fascinerende kanten aan een herseninfarct, ervaarde Querido-redacteur Anthony Mertens. De ‘hersenramp’ zette een sluis open in het hoofd en gemoed....

Aleid Truijens

Gevaarlijke gedachte: als je zeker wist dat het daarna weer helemaal goed komt, zou het een leerzame ervaring zijn, een herseninfarct. Want hoe kun je er anders een voorstelling van maken? In één klap, uitgedeeld in niemandsland, verdwijnt een groot deel van je bewustzijn. Alles wat je geleerd, gelezen, geproefd, gehoord en gevoeld hebt, is op slag uitgewist. De hele bundel ervaringen en gewaarwordingen die wij ‘ik’ noemen, opgeslagen in een klompje hersencellen, wordt in een peilloos diep gat geworpen, en zie dat eigendom maar eens terug te krijgen. Een lichaam ligt op bed, het ademt, maar degene die het omvatte is weg. Die moet helemaal opnieuw worden ingevuld.

De vreemde gedachte dat er behalve smartelijke, ook fascinerende kanten zitten aan zoiets gruwelijks als een herseninfarct, wordt ingegeven door Zwaluwziek van Anthony Mertens. In de zomer van 2004 werd hij getroffen door zo’n mep van het lot. Zijn verhaal waarin hij de jaren erna beschrijft is deels het verslag van een ziekte en van langzaam herstel – maar het is nog veel meer. Mertens, redacteur bij uitgeverij Querido, literair criticus en gepromoveerd literatuurwetenschapper, trof zichzelf aan als een wrak in een rolstoel, iemand die hij amper terugkende. Een volwassen man die zijn bed bevuilde, schold en huilde, en zich onderkliederde met eten. Maar hij krabbelde op tegen de wand van de put.

Op de laatste pagina van het boek viert hij zijn genezing tijdens een etentje met vrienden. Hij geeft een klein college over het werk van twee aanwezigen aan tafel, Bernlef en Schippers. Zij zijn niet geïmponeerd door de treffende typeringen, maar door iets anders: hun voormalige redacteur schrijft ineens weer, met zijn ‘slechte’ rechterhand.

De jarenlange revalidatie omvatte niet alleen het opnieuw leren lopen, praten, lezen en schrijven, maar bracht ook een karakterverandering: Mertens blijkt tot verbijstering van familie een driftkikker en brulboei geworden, die zich laat gaan in scheldkanonnades tegen ‘zwartjes’ en Marokkanen. Ook de therapeutes krijgen regelmatig ‘teringwijf!’ naar hun hoofd geslingerd. Toch is er een verfrist besef van wat er werkelijk toe doet: de liefde van zijn vrouw en zonen, middagenlang praten met vrienden, Bach door een open raam, de Amstel met zijn bruggen, een koele pils op een terras. En tot Mertens’ verbazing komen er nieuwe herinneringen boven, verloren geraakte beelden uit zijn jeugd. Het infarct zet een sluis open in zijn hoofd en gemoed.

Mertens vond zichzelf opnieuw uit. Die herborene is aan het woord in Zwaluwziek. De zieke Mertens is een Bernlef-achtige waarnemer. Door de ogen van iemand wiens geest in duigen ligt beschrijft hij een angstaanjagend universum: ‘Ik las opgesloten in het midden van een poreus oppervlak, doorboord door de angstaanjagende blikken van duizenden muizen.’ In een hoek van de ziekenzaal fluisteren twee schimmen geagiteerd. ‘Waren het drugsdealers die hier midden in de nacht drugs kwamen stelen?’ Gelukkig komt een troostende verpleegster hem poederen en insmeren, ‘alsof ik een baby ben.’ Het noodgedwongen schrijven met de linkerhand lijkt Mertens te voeren naar gebieden die hij liever afgesloten hield. Het is alsof hij een ui afpelt: achter elke herinnering zit een andere, nog dieper weggestopt. Daar is hij weer, het kleine jongetje dat wordt afgevoerd naar een klooster in Veghel als zijn moeder ziek is. Bijna tastbaar verschijnen de koude, blauwe gezichtjes van zijn twee als baby overleden zusjes: ‘Op tafel lag mijn zusje als een paasbrood, onbeweeglijk’. Er mocht in het gezin niet over worden gepraat.

Ook de meest schandelijke jeugdherinnering komt bovendrijven, aan wat het begin van een mislukte schrijfcarrière leek. Eind jaren vijftig kreeg het eerste gezin in Anthony’s straat een televisietoestel; alle buurtkinderen keken ademloos naar het halfuurtje kindertelevisie. Er werd een wedstrijd uitgeschreven: buurtclubs moesten een toneelstuk insturen over de zeeheld Michiel de Ruyter. Overmoedig meldt Anthony zich als schrijver. Er komt niets van terecht. Op een dag komt er echt een brief die melding maakt van een prijswinnaar. Het moment waarop Anthony ontdekt wie die winnaar is, moet een van de meest vernederende van zijn leven zijn geweest. Nu hij ongewapend is, eist de schaamte voluit zijn deel.

Het mooie aan deze jeugdherinneringen is de ongepolijstheid ervan. Mertens maakt aannemelijk dat ze hem belaagden tijdens een broze, verwarde staat. Had hij ze in een roman verwerkt dan zouden ze een beetje kokette, over-geromantiseerde indruk maken, aangedikt om goede literaire sier te maken. Nu hakken ze erin bij de lezer, die door Mertens wordt meegesleurd in zijn hulpeloze, poreuze staat.

Het is niet zo dat Zwaluwziek – de titel heeft te maken met een grondeloze staat van melancholie – een aaneengeregen verslag van beklemmende herinneringen is. Mertens vertelt ook over het dagelijkse leven in de schaduwwereld van kreupelen, en dat doet hij geestig en genadeloos. Als hij de zaal betreedt waar hij de komende jaren moet sporten, slaat de schrik om het hart: ‘Ik zag een looprek, waarin een patiënt zonder been maar met een meccano-achtig hulpstuk, gemonteerd aan zijn heup, aan het oefenen was. Aan de wand hingen prothesen van benen in allerlei maten en dikten.’

Terloops zendt hij een schrijversgroet aan Max Pam, die na een hersenbloeding in hetzelfde revalidatiecentrum verbleef en over zijn ziekteperiode een al even ongepantserd – zij het heel ander – boek schreef: Het ravijn. Mertens werd drie jaar na Pam opgenomen, maar beiden zien in de eetzaal een man die horizontaal, met zijn hoofd naar één kant, ‘als een camera’ langs de etenswaren wordt gevoerd. Aan het eind van het boek vraagt Mertens zich af: ‘Zou het door mijn vloed aan herinneringen komen dat zoiets als mijn ware ik was vrijgekomen?’ Die gedachte verwerpt hij: ‘Onzin, volgens mij bestond er geen ‘ware ik’, dat was meer iets voor derderangsfilosofen.’ Mee eens. Maar met dit boek, ‘dankzij’ deze hersenramp, kwam er wel iemand vrij: de redacteur transformeerde tot volbloed schrijver.Aleid Truijens

Meer over