Twijfel als bijbelse erfzonde

DE ROMAN Grensgebied van de in Estland geboren schrijver Emil Tode kan gelezen worden als een gemoderniseerde versie van L'étranger van Albert Camus....

Beide romans zijn een debuut en leveren om zo te zeggen een ontwerp voor een nieuw type literaire held. Bij Camus bevat dat ontwerp de contouren van een wereldbeeld, een pleidooi voor het absurde als enige realiteit. Bij Tode is het absurde even reëel, maar wordt het, doordat het zo stelselmatig wordt verbonden aan de recente politieke geschiedenis, tevens het enige perspectief vanwaaruit de held zicht kan krijgen op zijn eigen historische identiteit.

Die held heeft de vorm van een ik-figuur die tijdens het Sovjet-tijdperk in Estland is opgegroeid en in het kader van een betrekkelijk vaag en vanuit Straatsburg geïnitieerd cultureel integratieproject een bloemlezing Franse poëzie mag samenstellen om deze in zijn Baltische moedertaal, het Ests, te vertalen. Hij brengt daartoe zijn dagen door in de bibliotheek van het Centre Pompidou in Parijs met het bestuderen van gedichten die door geen Fransman meer worden gelezen en waarvan eigenlijk al bij voorbaat kan worden voorspeld dat ze ook in het Ests weinig tot de verbeelding zullen spreken. Een enkele keer stuit hij op een regel die hem ontroert, maar dat zijn altijd regels waarvoor hij in zijn eigen taal geen equivalent weet te vinden.

Hij weet zich in Frankrijk omringd door individuen die, zoals hij zegt, 'gelijk hebben'. Zelf kent hij dat gevoel niet: in de Sovjet-republiek Estland waar je met veel moeite aan wat beschimmelde worst kon komen, waar hij zijn tirannieke grootmoeder moest voorlezen uit een krant die De Volksstem heette, waar 'in de herfst de zon samen met de aardappels en de kool in een hol wordt verborgen', en waar kameraad Brezjnev af en toe via de televisie een paar vaagheden over de wereldvrede kwam verkondigen - in dat universum is men niet voorbestemd op te groeien tot iemand die gelijk zou kunnen hebben.

Des te sterker het contrast met de welvaart, het zelfvertrouwen en het levensgevoel dat hij in Parijs ontmoet: 'Veel mensen hier zijn eraan gewend dat ze gelijk hebben, en ik kan niet ontkennen dat ik dat vreemd vind. Alhoewel ik er niets op tegen zou hebben als ik ook bij diegenen zou horen die gelijk hebben, en één keer per week in het winkelcentrum Auchan mijn wagentje vol kon laden met flessen mineraalwater en rollen wc-papier en doosjes paté en allerlei soorten kaas en verpakt brood, en in het Gare du Nord de lokettist uit kon schelden. Maar voor mij is het waarschijnlijk al te laat om er nog aan te wennen, en het zou ook geen zin meer hebben.'

Het contrast wordt bevestigd wanneer hij in het straatbeeld reizigers uit het voormalige Oostblok opmerkt, een gewaarwording die hem met afschuw vervult: 'Het is te schamel, te miezerig om erover te kunnen schrijven. Schrijven kun je alleen over wat meer literair, wat verhevener leed, niet over Oosteuropeanen die voor de glanzende etalages van de stad blijven staan, met een trainingspak aan en sportschoenen aan hun voeten.'

Het schrijnende aan het boek is dat het niet louter de decorstukken of de attributen zijn die de ontheemde aan zijn toestand van ontheemdheid herinneren. Dat decor is in zekere zin van ondergeschikt belang, want veel essentiëler is het dat na verloop van tijd niet alleen de waarnemingen zelf, maar ook het vermogen tot waarnemen steeds verder aan twijfel onderhevig raakt. Het is een twijfel die werkt met de kracht van de bijbelse erfzonde; de eigenaar van een tweederangs nationaliteit wordt tot het eind van zijn dagen gestraft en gebrandmerkt.

Als hij bijvoorbeeld na een bezoek aan Amsterdam vanuit de trein een bloembollenveld ziet, met daarop 'een oude vrouw die in een kleurige katoenen jurk om de hoek van de boerderij kwam, krom en gehaast, om voor het eten prei uit de tuin te halen, of om te kijken of de kippen niet weggelopen waren', dan wordt aan alles getwijfeld, zelfs aan de vraag of hij een dergelijke scène wel letterlijk zo heeft gezien. Moeiteloos schuiven herinneringen aan het verleden voor datgene wat waargenomen wordt, want dat 'krom en gehaast' berust eerder op de subjectieve geschiedenis van het kijken dan op wat de objectieve, door het treinraam geobserveerde werkelijkheid zou moeten zijn.

Net als in L'étranger is in Grensgebied de moord op de denkbeeldige tegenstander, degene van wie men zich vervreemd voelt - vervreemd door wat dan ook - de kern van de geschiedenis. Een bij zijn voornaam, Franz, aangeduide hoogleraar, met wie de ik-figuur een liefdesrelatie onderhoudt en die in maatschappelijk opzicht zijn weldoener is, sterft de vergiftigingsdood. Anders dan bij Camus ontloopt de dader zijn vonnis. Zonder tegen de lamp te zijn gelopen, krijgt hij van Emil Tode nog omstandig de gelegenheid van zijn gedrag rekenschap af te leggen. Tot het moment, en dat had Camus nooit kunnen bedenken, waarop zijn bankpasje door de automaat wegens afwezig saldo wordt ingeslikt, zijn identiteit opgeslokt en zijn persoon opgeheven.

Emil Tode is een pseudoniem. Zijn werkelijke naam is Tonu Onnepalu. In welke vorm ook, het is een naam om te onthouden.

Melchior de Wolff

Emil Tode: Grensgebied.

Uit het Ests vertaald door Marianne Vogel en Cornelius Hasselblatt.

Meulenhoff; 143 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 290 4437 3.

Meer over