Boekrecensie

Twee boeken over de VOC nodigen uit tot een nieuwe, kritische blik op het verleden ★★★★☆

Gustaaf Peek bedwelmt met zijn kloeke roman A.D., over het barre leven op een VOC-schip. Laura van der Haar en Martijn Manders vertellen het ongelooflijke verhaal van de Rooswijk, gezonken in 1740, in een mengeling van archeologie en fictie.

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Nu er serieuze aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden ontstaat, zeehelden op hun sokkel wankelen en de term ‘gouden eeuw’ van de museumbordjes wordt gekrabd is het niet vreemd dat ook schrijvers hun pennen slijpen om de VOC-tijd eens onder handen te nemen. Natuurlijk, daar ís al veel over geschreven. De heroïsche kapiteins, het varen over de woelige baren, het dromen van exotische verre oorden; het heeft vooral een hele vracht aan avontuurlijke jeugdboeken opgeleverd. De scheepsjongens van Bontekoe (1924), van Johan Fabricius, is veruit het bekendst. Och, de olijke scheepsmaatjes Padde, Hajo en Rolf, die aanmonsteren op de Nieuw-Hoorn, ‘de schuit van schipper Bontekoe, die naar Oostinje gaat! Je zou ’m es moeten zien. Tweehonderd koppen aan boord!’

Literaire romans zijn er echter niet veel over die tijd, laat staan romans die de duistere kanten ervan belichten. Gustaaf Peek (1975) brengt daar nu verandering in met het kloeke A.D., over een groot VOC-schip dat in 1597 oostwaarts vaart. Die info komt van de achterflap, want in het boek zelf komt het jaartal noch de afkorting VOC voor. Wie begint met lezen begrijpt slechts één ding al snel: we zitten op een schip met heel veel mensen.

Alleen al in het eerste hoofdstuk zijn het er een stuk of dertig, van Nel-de-dienstmeid-van-de-zuster-van-de-koopman tot oude Krijn en kleine Coen, van de onderbarbier en de provoost tot de bottelier en de baksmeester. Het is zelden een goed teken als in de kaft van je boek een wanhopig neergekrabbeld namenlijstje verschijnt, maar hoe anders wijs te worden uit alle vertelstemmen die Peek opvoert? Pakweg de hele bemanning doet een keer zijn zegje, maar wie wat precies zegt, denkt of ziet blijft vaak onduidelijk. Overgangen tussen personages vinden plaats in dezelfde alinea, er is amper houvast in witregels, bijna niemand wordt geïntroduceerd. Het lijkt Peeks bedoeling om je zonder grip over zijn dek te laten zwalken, zó dat je er haast zeeziek van wordt. Maar verdomd, het went, het wérkt, na een pagina of vijftig krijg je zeebenen, begin je te genieten van het rollen en het stampen en ga je niet meer bij elke onverwachte perspectiefwending onderuit.

Wanstaltig lekker

De reis duurt Heel Lang en is Heel Zwaar, dat is wat alle stemmen samen vertellen. Peek knalt erin met een akelige beginscène waarin iemands rotte kies er met een mes uit wordt gewrikt. Het bloeden is nog niet gestelpt of het lijk van een jongen wordt als haaien-aas gebruikt. Het is pas het begin van alle narigheid die Peek in petto heeft. Ziedende hitte, verwoestende storm, maden in het drinkwater, verrot eten, ongedierte, vernedering, verkrachting, moord, marteling, verdrinking en natuurlijk het verplichte rondje kielhalen; Peek beschrijft het allemaal in zijn sterk zintuiglijke stijl, die zijn laatste boek, de geprezen bestseller Godin, held (2014), ook al zo kenmerkte, met die van vocht en sperma druipende neukpartijen.

A.D. druipt van kots, stront en bloed. Het bedwelmt je, het is bij vlagen zelfs wanstaltig lekker, de horreur die met een zekere geiligheid wordt opgedist. Ontvoerde ‘wilden’ worden per drie aan elkaar vastgebonden buitenboord gehangen: ‘Om ze sneller stil te krijgen en haaien te lokken is de bootsman opgehouden hen te duwen, hij laat elke krioelende kluwen nu neer zodat de schelpen aan de romp onmiddellijk huid kunnen breken.’ De bemanning hangt over de reling om niets van het spektakel te missen. ‘De haaien grijpen soms de buitenste, soms de middelste, altijd de laatste.’

Imponerend is het, de grenzeloosheid waarmee Peek je geselt met de gruwelijkheid, je overspoelt met zijn lange, golvende zinnen. Al word je er soms wat murw van. Als de sadistische kapitein niet voor het eerst de buik van een zwangere vrouw opensnijdt, kijk je daar nauwelijks nog van op. Dat geldt ook voor andere potentieel indrukwekkende gebeurtenissen. De eerste keer dat de mannen aan land gaan bijvoorbeeld – toch wel een dingetje – gaat haast geruisloos verloren in Peeks overvolle, vette beschrijving van álles.

Eenmaal aan land volgen we een inheemse jongen die de ‘Roden’ (reken maar dat witte huid na dertien maanden op een gloeiend dek roodverbrand is) bespiedt. De kapitein heeft zich verschanst in een fort met het restant van zijn bemanning, over wie we verder niets meer vernemen. Via de jongen probeert Peek antwoord te geven op de essentiële vraag wat er met een volk/eiland gebeurt als er plots kolonisten het strand op stappen. Maar het verhaal van de naamloze jongen wil niet vlotten. Hij dwaalt rond, is hier, dan weer daar, is een gevangene van de Roden maar dan weer vrij, is jong, dan plots een stuk ouder.

Terwijl: na die hele reis wil je dingen weten. Is dat fort Fort Batavia? Wat doen ze daar? Hoe en waarom? Wat vinden de oorspronkelijke eilandbewoners ervan? Kortom, wat gebeurt er nou eigenlijk als de VOC je baai entert? Hier had Peek het verschil kunnen maken door de historische, nog altijd doorwerkende clash tussen twee volken te beschrijven, maar doordat we in het warrige hoofd van de ronddwalende jongen zitten, blijft alles op afstand. Hoewel het duidelijk is dat Peek veel research heeft gedaan, lijdt A.D. onder het gebrek aan historische context. Hier en daar wat opheldering had Peeks literaire kracht kunnen versterken.

Archeologie en fictie

Wie behoefte heeft aan duidelijkheid kan het onlangs verschenen Rooswijk 1740 lezen. Maritiem archeoloog Martijn Manders leidde in 2017-2018 de opgraving, of beter gezegd de opduiking, van het VOC-schip de Rooswijk, dat in 1740 voor de kust van Engeland zonk. Aan de hand van zijn vondsten schreef hij met schrijver en archeoloog Laura van der Haar dit boek. Ze doken in de archieven en zochten uit hoe het schip gebouwd werd, hoe de bemanning werd geronseld, wie er aan boord ging en wat voor lading er in het ruim lag.

De Rooswijk was het soort schip dat Peek heeft beschreven: een spiegelretourschip waarschijnlijk, het grootste type transportschip van de VOC, voor vervoer van goederen en personen van en naar Batavia. En hoewel de Rooswijk ruim een eeuw later te water ging dan het schip van Peek, zullen de omstandigheden aan boord vergelijkbaar zijn geweest. Het gros van de bemanning bestond uit een allegaartje van armoedzaaiers, criminelen en weesjongetjes – mensen die zo’n miserabel leven hadden, dat ze geen andere uitweg meer zagen dan een kruisje te zetten op een contract van de VOC. De arbeidsvoorwaarden waren bedroevend: laag loon, smerig eten, hard werken, grote kans om dood te gaan.

In Rooswijk 1740 worden een paar bemanningsleden uitgelicht en hun op feiten gestoelde levensverhalen gefictionaliseerd. Als Manders een klisteerspuit opduikt, lezen we over de chirurgijn aan boord, en uiteraard over diens brute operaties. De zilveren munten leiden terug naar kapitein en smokkelaar Daniel Ronzieres. En misschien was de houten schoenzool wel van de scheepsmaat Hendrik Haas.

Ongelooflijk verhaal

Wie zich verheugt op de literaire kwaliteiten van Van der Haar (Het wolfsgetal, Loslopen) komt overigens wat bedrogen uit. Het fictiegedeelte heeft al te vaak iets kinderlijks, met een oubollig toontje; ‘arme drommels’ – dat werk. Het archeologische gedeelte is vaak juist overgecompliceerd. Tot in detail wordt beschreven hoe Manders’ duikpak in elkaar zit, hoe houten objecten met polyethyleenglucol worden behandeld ‘alvorens ze kunnen worden gedroogd’ en hoe een jacobsstaf precies werkt. Voor de geïnteresseerde leek is het te specialistisch. Toch is het een lezenswaardig boek, al was het maar om het ongelooflijke verhaal over de Rooswijk, het schip dat op de allerkoudste dag van de allerkoudste winter sinds mensenheugenis uitvoer en anderhalve dag later verging. Geen van de 237 opvarenden overleefde de ramp.

Manders en Van der Haar scheppen een degelijk beeld van een VOC-schip, Peek dringt door tot de met kots geïmpregneerde nerven ervan en laat ons bijna lijfelijk voelen hoe het was, aan boord – dat is wat literatuur kan doen. Beide boeken nodigen elk op hun eigen manier uit met een nieuwe, kritische blik naar de VOC-op-zee te kijken, en laten zien dat het voor bijna niemand een exotisch avontuur was. Vaarwel, Bontekoe.

null Beeld Querido
Beeld Querido

Gustaaf Peek: A.D. ★★★★☆ Querido; 325 pagina’s; € 23,99.

Martijn Manders & Laura van der Haar: Rooswijk 1740. ★★★☆☆ Balans; 336 pagina’s; € 23,99.

null Beeld Balans
Beeld Balans
Meer over