Tussen verval en hoop

Langzaam komt er internationale belangstelling voor het vervallen, voormalige slaveneiland Ilha de Mozambique. Nell Westerlaken sprak en fotografeerde bewoners die wachten op betere tijden....

Nell Westerlaken

Op een kruis bij het witte kerkje van Santo Antonio staat in heldere letters Jesus Christ, yesterday, today and forever, 1498-1998. Weinig mensen op Ilha de Mozambique die de tekst kunnen lezen, ze zijn de Engelse taal niet machtig, maar vast staat dat Jezus Christus in 1498 arriveerde op het eiland. Hij kwam mee met Vasco da Gama.

João Moreis (31) staart ’s ochtend vaak over zee bij dat kruis. Hij kijkt naar de dhows met hun driehoekige zeilen, naar de visserskano’s op de Indische Oceaan, en als hij zich omdraait, ziet hij soms een busje rijden over de drie kilometer lange brug naar het vasteland.

João vraagt zich weleens af of het daar beter is. Erheen kan hij niet, geen geld. ‘Ik werkte hier tot een jaar geleden in de bouw. Toen kwam er een andere aannemer, van het vasteland. Hij bracht zijn eigen personeel mee, ook van het vasteland.’

Vlak bij het kerkje van Antonius, de heilige die wordt aangeroepen waar andere heiligen falen, lopen de straten trapsgewijs naar beneden. Vanaf de doorgaande weg kijk je uit over golfplaat en palmbladeren; over krotten die elkaar overeind houden – over armoede. Geen plek is onbebouwd. Makuti heet het officieel, baixa noemt de bevolking dit zuidelijke deel van het eiland, wat ‘laag’ betekent’. In baixa hakten slaven ooit de stenen uit waarmee de Portugezen het noordelijk deel van het eiland bouwden: een fort, gouvernementsgebouwen en kerken, handelshuizen en magazijnen, villa’s die in de Algarve hadden kunnen staan.

Het is er allemaal nog, wonderlijk mooi in hun architectuur, schokkend in de verschillende stadia van verval en restauratie. Op weg naar het kantoor van Celestino Girimula passeer je half ingestorte koloniale huizen, het houtwerk aangevreten door de zilte wind, en voormalige pakhuizen in de vernietigende greep van wurgvijgen die hun wortels in alle kieren en gaten wringen en zo’n gebouw meedogenloos uiteen rijten.

Als er nog een dak zit op zo’n ruïne, wonen er mensen. Soms vang je een blik op van het interieur: vuil, donker, arm. In het midden van het eiland staat een reusachtig neoklassiek gebouw dat daar door een megalomane geest lijkt neergezet: het 19de eeuwse ziekenhuis met rijen trappen en pilaren is deels uitgeleverd aan het verval, de zieken liggen in sobere barakken erachter.

De depots op het eiland zijn voormalige slavendepots. Net als Ile de Gorée, voor de kust van Senegal, was Ilha de Mozambique een ‘ideaal’ slaveneiland: strategisch aan de scheepsroutes en te ver van het vasteland voor ontsnappingen.

Celestino Girimula zit achter een nieuw bureau in een stralend gerestaureerd gebouw dat ooit het gouvernement toebehoorde. Hij is verantwoordelijk voor de conservering en restauratie op het eiland dat in 1991 het Unesco-predikaat kreeg. ‘Een van de grote problemen van dit eiland’, zegt Girimula, ‘is de bevolkingsomvang. Ilha is drie kilometer lang, enkele honderden meters breed, en er wonen 17 duizend mensen. Vooral Makuti is overbevolkt. Op twee openbare latrines na is daar geen sanitair. De grote overbevolking versnelt het verval. Er zullen bewoners naar het vasteland moeten.’

Met de Unesco kwam er geld. Onder meer Japan, Portugal en Noorwegen investeerden in restauratie van de koloniale wijk in het noorden. Kerken zijn vernieuwd, aan het fort wordt gesleuteld, het huis van de gouverneur is een museum geworden en aan de oostkant tikken de hamers van stratenmakers. Met het geld kwam de hoop op toeristen en buitenlandse privé-investeerders. Het is tenslotte bonanzatijd in Mozambique: bijna tweeduizend kilometer strand ligt te wachten op badgasten. Wie geld heeft, koopt nu grond en bouwt zijn eigen kustparadijs.

Ook op Ilha hebben privé-investeerders belangstelling getoond, volgens Girimula. Maar een eiland dat half bestaat uit krotten kun je met goed fatsoen niet in een verkoopbrochure zetten. Terwijl het noorden wordt omgebouwd tot openluchtmuseum, zijn de kleine stranden bij Makuti een openbaar toilet. ‘Er zijn ingrijpende maatregelen nodig’, zegt Girimula. Bewoners die naar het vasteland willen verhuizen, kunnen geld van ons krijgen.

João Moreis denkt er weleens aan, als hij uitkijkt over zee, hoewel hij nooit heeft gehoord van Girimula’s oprotpremie. Maar João wil niet weg van Ilha, van ‘zijn’ eiland, al heeft hij geen werk. Hij wil niet weg uit baixa, de overbevolkte, ellendige steengroeve die wie weet zijn voorouders nog hebben helpen uithakken in slavernij.

João gaat niet weg, zijn familie niet en zijn vrienden niet, al zit hij gevangen in armoede, ook een soort slavernij. Hij zal Engels leren, zegt hij, hij zal wachten tot ooit de toeristen komen, en hij zal hen rondleiden op zijn eiland.

Tot die tijd is er altijd nog de heilige Antonius.

Meer over