Tussen Tafelberg en andere bergies

Kan het Afrikaans zich redden, in woelig Zuid-Afrika? In Kaapstad zingt het nog volop, en blijft de taal een dynamisch baken voor een auteur als EKM Dido, die ook de uitgeworpenes een stem geeft: ‘Ons soek nog steeds naar wie ons is.’..

Arjan Peters

De stem van Elisabeth Eybers (1915-2007) zit nog in mijn oren als ik het vliegtuig naar Kaapstad instap. Bij haar thuis in Amsterdam zijn geluidsopnamen gemaakt toen ze al negentig was, en die nu op cd verschijnen. De P.C. Hooftprijswinnares die het Afrikaans trouw bleef nadat ze in 1961 naar Holland verhuisde, leest op hoge en krachtige toon vijftig gedichten van eigen hand.

Ze tekent ons land in ‘Tuiskoms in Junie’ uit 1950 – het is precies wat ik nu uit het vliegtuigraampje beneden me zie, maar dan klaar verwoord: ‘groengeruit/ die nette akkers, en egalig grou/ die lae lug, pophuisies rooi en blou,/ ’n skuit skuif deur die weiland, langs die sluis/ kantel die wydsbeen meul se skewe kruis,/ bont koeie mymer weelderig in die gras (*) alles kon/ ek opnoem uit my kinderrympiesboek:/ ’n helder lasprent sorgsaam uitgesoek,/ reghoekig, ewewydig, vak aan vak/ gemeet, geplan, gepas en ingeplak.’

Het ernstige land wordt even opgetild, alsof een verre zon over bekend gebied plonst. Ginds in het land van aankomst is het nu lente. Fysieke ervaring van wat Adriaan van Dis beschrijft in Leeftocht (2007), als hij terugblikt op de tijd dat hij als student Nederlands het Afrikaans ontdekte: ‘Een onder de zuiderzon gebakken Nederlands. Wat een bevrijding! (*) Het Afrikaans stookte me op de dingen ongewoon en toch helder te zeggen.’ Van Dis is een van de weinige vaderlandse schrijvers die het Afrikaans opzoekt, wat wellicht komt doordat hij als zoon van een Indische Nederlander met taalmengvormen vertrouwd was.

De Vlaamse schrijver Tom Lanoye is zijn evenknie. Elke winter neemt hij de wijk naar de Moederstad waar hij dan de zomer viert, en zijn aanwezigheid is doorgedrongen tot de boekhandels in Kaapstad; de vertaling van zijn verhalenbundel die nu ’n Slagterseun met ’n brilletjie heet, kwam in augustus de boekentoptien van de keten Protea binnen. Desgevraagd laat de auteur weten vanuit Antwerpen, waar hij woont zo lang het geen winter is, dat hij is betoverd door de dochtertaal, die volgens hem is gegroeid tot volwassen zustertaal, ‘die haar zus zo vaak overtreft daar waar talen het meest expressief kunnen zijn. Toneel, poëzie en, helaas, het snauwen van bevelen. Zodoende heeft ze iets weg van onze linguïstische nicht, het Duits.

‘Maar het voordeel van Afrikaans is dan weer dat het, vooral dankzij de Kaapse coloureds, zo’n injectie met swing en slang heeft meegekregen. De Kaapse rappers zijn de grappigste en de snedigste die ik ken. Tot grote wanhoop van de (in hoofdzaak blanke) puristen, die de meest statige variant van hun taal met de dag meer zien verzinken in een bad van taalvermenging en – verloedering. Volgens hen, dan toch. Ik denk eerder dat deze dynamiek net de redding van de taal zal betekenen. Op korte en lange termijn.’

Sinds de sociale en politieke revolutie die in 1994 leidde tot de eerste meerderheidsregering onder Mandela, is het Afrikaans een van de elf officiële talen in het land. De lingua franca is steeds meer Engels, en het Afrikaans is van de gestigmatiseerde onderdrukkingstaal aan het veranderen in de taal die je spreekt onder vrienden en familie, bij rookpauzes of de barbecue (‘braai’). Schrijvers kunnen nu kíezen voor Afrikaans.

De eerste niet-blanke vrouw die dat deed was EKM Dido (1951), die ik zal ontmoeten in de Gardens, de oude Kompanjiestuin midden in de stad. Onderweg daarheen moet ik de zwarte reisgids op de dubbeldekker met open dak teleurstellen als hij wél ‘Jan Pierewiet’ kan zingen en ik de tekst niet blijk te kennen. Een restaurant beveelt lamsvlees met waterblommetjie aan, en ik lees dat de botanische pracht van Kirstenbosch, de tuin onder aan de majesteitelijke Tafelberg – waarboven de wolken door de wind worden strakgetrokken tot een smetteloos laken –, onder meer bestaat uit de ‘gewone bokdrol’, die een ongewone boom is. De wind waait mijn krant op, Die Burger, waarin een commentator twijfelt of ANC-voorzitter en beoogd president Zuma de verlosser van Zuid-Afrika wordt, of een tiran. Ik rijd door een stad waar alles warm, goedgemutst en rusteloos waait en warrelt.

Een groep wachtende asielzoekers heeft gisteren met de wapenstok gekregen, lees ik, en het skoolhoof van die Hoërskool Lentegeur is na het geld pinnen door rowers achtervolgd en in zijn been geskiet, ten aanskoue van leerders.

In Long Street ga ik een stil boekhandeltje binnen, waar een bordje niettemin waarschuwt voor ‘sexual harassment’ tussen de kasten. Die zal worden gerapporteerd.

Dansende taal in een land vol beweging. Dido heeft er weet van, een coloured uit de Transkei, die zich van verpleegster opwerkte tot docent verpleegkunde, welke baan zij sinds 1996 afwisselt met het schrijven van romans die haar veel populariteit hebben bezorgd, en in 2005 een eredoctoraat van de Universiteit van Wes-Kaap.

Liefdesverhoudingen over de kleurgrens heen, rassenvooroordelen binnen de kleurlingengemeenschap, aanzwellende criminaliteit die het bestaan van toevallige slachtoffers radicaal kan omgooien: het zijn niet de lichtste thema’s die Dido aanroert. Toch danst haar pen in een parlando dat nooit terneer drukt.

Zo ook in ’n Ander ek (2005, zevende druk), haar vijfde roman en de eerste die in Nederlandse vertaling is verschenen. Een ander ik leg ik voor me op tafel in de lommerrijke tuin van het restaurant van de Gardens, waar tamme eekhoorns op een stukje taart vlassen. Opgetogen komt Dido op me af.

Ze heeft de Nederlandse editie nog niet in handen gehad, en is er baie verguld mee. Een ander ik is het verhaal over Geertruida Reiger, basisschool-directeur en promovenda, getrouwd en moeder van twee zonen, die haar man doorbelt dat ze is geslaagd, uit haar auto wordt getrokken, verkracht en mishandeld, en als comapatiënte in het ziekenhuis belandt, daar na een half jaar ontwaakt en haar geheugen kwijt is, langzaam moet ontdekken wie ze zelf is, zo gauw ze is hersteld naar een nachtopvang moet en overdag door Kaapstad zwalkt als bergie, dakloze, tussen onfortuinlijke lotgenoten. Ze brengt zelfs een nacht door op het gras van de Gardens. Niemand heeft in het ziekenhuis navraag gedaan. Ze is een unknown, en noemt zichzelf Egidius (naar het middeleeuwse lied, ‘waer bestu bleven’).

Geen extreme fantasie, verzekert Dido. ‘Dit is ongelukkig genoeg een realistisch verhaal. We zijn gewend aan misdaad. Een week geleden kwam ik thuis, stapte mijn auto uit, en zag drie gewapende mannen op mijn erf. Ik moest mijn spullen afgeven, onder meer een schriftelijke cursus verpleegkunde, hoewel ik betwijfel of ze kunnen lezen. Dit was de tweede beroving binnen een jaar.

‘In ziekenhuizen heb ik veel gevallen meegemaakt van onbekenden, die nauwelijks hersteld alweer weggestuurd worden omdat het bed vrij moet komen voor de volgende. Ik heb één personage gekozen, om aan de hand van haar te laten zien hoe de gevolgen van misdaad de identiteit van een slachtoffer kunnen veranderen. Aanvankelijk is Geertruida alleen in staat tot luisteren – het gehoor komt het eerst terug als je uit een coma ontwaakt. Ze hoort de verpleegsters aan haar bed, en stoort zich aan hun vermenging van Afrikaans en Engels. Waarom, denkt ze: kennelijk is Afrikaans mijn moedertaal. Op die manier moet ze zichzelf herontdekken.

‘Ze is een sterk karakter. Hoewel toegetakeld, met een kunstoog en een pruik, en dakloos, vindt ze de veerkracht om zich tussen de bergies staande te houden.’ Door oude kranten na te speuren vindt ze uit wanneer ze moet zijn overvallen. Ze keert na twee jaar terug naar haar man en kinderen aan de Noord-Kaap – maar accepteren die haar? Dat is de vraag. Het eerste wat ze in haar oude huis ziet, is dat haar man een nieuwe vrouw heeft.

Dido: ‘Geestelijk herstellen moet je in Zuid-Afrika op eigen kracht doen. Egidius lukt het, en dat geeft hoop voor haar toekomst.

‘Ik heb veldwerk verricht. Heb in zo’n nachtopvang gekeken hoe dat daar toegaat, en dat was zo creepy dat ik de hele nacht stijf van angst op mijn stoel heb gezeten. Kon toen nóg niet voorkomen dat mijn deken werd gestolen. Allerlei types zitten daar, ook met interessante geschiedenissen – gewezen dokters, onderwijzers, zakenmannen – die door diverse oorzaken soms plotseling in verval zijn geraakt en elkaar daar een beetje steunen.

‘Mijn boek probeert die uitgeworpenes een stem te geven. Ik heb hen opgezocht, en tussen hen in geslapen, boven op de Seinheuvel hier in de stad. Eerst had ik thuis oude schoenen aangetrokken, mijn kleren gekreukt, vuile kopdoek omgedaan, en zo ben ik op de Parade gaan staan, waar veel middle class-bergies komen. Al snel kwamen ze bij me staan. Ik merkte dat ze hun eigen dagschema hebben, ze verzamelen blikjes en kartonnetjes en verkopen die, om een bottel of twee drank en eten te kunnen betalen.

‘Sommigen gaan zelfs op vakantie, maar dat zijn alleen de upper class-daklozen. Die hele gesloten schaduwmaatschappij kon ik laten zien door mijn personage daarin haar weg te laten zoeken.’

Een treurig verhaal misschien, maar nergens larmoyant of inktzwart, dankzij Dido’s levendige stijl. In de jaren negentig is ze ineens begonnen met schrijven. ‘Eerst in het Engels, want in de Apartheidsjaren wilde ik geen Afrikaans schrijven, hoewel het mijn moedertaal is, omdat die taal aan die witman zou behoren.

‘Maar het Engels pakte niet. Ik stapte over op Afrikaans, en kreeg toen mijn taal weer terug. Die taal is er voor ons allemaal, of je nu wit, bruin of zwart bent.

‘Wie ben ik, heb ik zelf vaak gedacht: te wit om zwart te zijn, en vice versa. Jongen, ik raakte baie depressief. In 1997 was ik in Nederland, ik stond in het museum Van Speelklok tot Pierement, tegenover zo’n uurwerk, en dacht daar, ik weet het nog goed: ‘Jij bent Dido en Zuid-Afrikaner! Verder mag iedereen je in hokkies plaatsen wat ze willen, maar dát is wat jij bent.’

‘Ik was zo opgelucht, dat ik midden in dat museum in huilen ben uitgebarsten.’ Ze schatert. ‘Kliphard! De andere bezoekers vluchtten verschrikt bij mij vandaan.

‘Sindsdien weet ik het. Maar de meerderheid in Zuid-Afrika is er nog niet uit. Ons soek nog steeds naar wie ons is.

‘Net zo onzeker is de politieke toestand. Maar het Afrikaans is innemend, buigzaam, de taal sluit niemand uit – de meeste mensen in de Wes-Kaap spreken het – , en ja, ze verandert doordat de maatschappij ook verandert.

‘Maar onthou jij, ze blijft bestaan.’

Met een vitale handdruk neemt Dido afscheid. En wat ik al die tijd in de bomen van de Kompanjiestuin heb gehoord, vind ik even later verwoord in een voorjaarsgedicht van Elisabeth Eybers:

‘Kristallesprinkeling uit prilgroen loof:/ die merels is dit wat blymoedig betoog/ teen latere gure noodsaak om te swyg.// ’n Keel vol klinkklare weerbaarheid/ waarborg ’n kosbare porsie tyd,/ ’n afgeronde brok respyt.// Statute van voortplantingspligte vuur/ hulle aan om uitvoerig uur vir uur/ die winter na sy moer te stuur:/ die winter wat sal wyk// die winter wat sal duur*’

‘Sonnige voorjaar’ uit 1993 vliegt mee terug, naar onze herfst van vijftien jaar later.

Meer over