Tussen driftige swing en weemoedige visioenen

Ince, Voestin e.a...

UTRECHT In het kader van de Vredenburg-serie Whiskey & Wodka hield het Schönberg Ensemble vrijdag een paar significante ontwikkelingen in de muziek van de afgelopen twintig jaar tegen het licht. Het was op het eerste gezicht een rare cocktail van Amerikaanse en Russische muziek, waarin bovendien met het werk van de Turks/Amerikaanse componist Kamran Ince nog een flinke scheut raki verwerkt was. Maar de combinatie bleek effectief, ook al bestaan er nog altijd fundamentele verschillen tussen Oost en West.

Het neemt niet weg dat stukken als Ince’s Arches, met zijn mierzoete Morricone-klanken, en Thuiskomst van Alexander Voestin, waarin lang aangehouden majeur-drieklanken geleidelijk worden overspoeld door onthecht getinkel, twintig jaar geleden zouden zijn uitgekreten voor regelrechte kitsch. Dat heeft vooral te maken met het onverbloemd gebruik van tonaliteit en de wil om het oor te behagen – wat destijds niet paste bij de opvattingen over wat moderne muziek behelsde.

Een verbindend kenmerk van de zes hier uitgevoerde stukken is ook de geleidelijke evolutie. Herhaling, dikwijls verrijkt met gestage variatie, speelt vrijwel voortdurend een rol. Vooral in het met Turkse melodiek verrijkte Turquoise van Ince, leidde dat tot een vitale culturele kruisbestuiving.

Met dat alles blijft er een wereld van verschil bestaan tussen de driftig pulserende swingmuziek die de Amerikaan Michael Torke in 1987 vervatte in Adjustable wrench, en de bespiegelende klankenspinsels van Voestin en zijn landgenoot Vladimir Tarnopolski. Voestins werk overtuigt het minst: Thuiskomst is te langdradig, terwijl Muziek voor tien juist te veel van de luisteraar vergt, vooral door de projectie van beelden en teksten, die de aandacht afleiden van de muziek.

In Tarnopolski’s De slinger van Foucault, dat ruim een jaar geleden door het Schönberg Ensemble voor het eerst werd uitgevoerd, komen glimmende buitenkant en naar binnen gekeerde klankvisioenen samen. In verglijdende golfslagbewegingen ontvouwen zich klankkleurmengsels waar steeds, als zwarte inktresten, geruis en geschraap in verwerkt zijn.

Daartegenover staan de scherp gesneden harmonieën in een sectie met mechanisch gepluk van de musici, ingeleid door een solo voor metronoom. Omhoog wervelende slierten leiden terug naar de amorfe klankwereld van het begin, en opnieuw het getik van de metronoom.

Zo brengt Tarnopolski de muziek terug tot haar essentie – de voortschrijdende tijd –, maar niet zonder dat de instrumentalisten daar weemoedig zuchtende flageoletten aan toevoegen.Frits van der Waa

Meer over