Turkse schrijver ontstaat na aanklacht

Nieuwe elites denken hun rijkdom te moeten rechtvaardigen met een giftig nationalisme, meent Orhan Pamuk, die morgen in Istanbul terechtstaat....

Orhan Pamuk

Morgen moet ik in Istanbul - in de wijk Sisli, waar ik mijn hele levenheb doorgebracht, in een rechtbank recht tegenover het grote huis waar mijnoma veertig jaar op zichzelf heeft gewoond - voor de rechter verschijnen.Mijn misdaad is dat ik 'in het openbaar de Turkse identiteit heb beledigd'.

De aanklager zal drie jaar gevangenisstraf tegen mij eisen. Misschiendat het mij zorgen moet baren dat de Turks-Armeense journalist Hrant Dinkterechtstond in dezelfde rechtbank voor dezelfde misdaad, op grond vanartikel 301 van dezelfde wet en werd veroordeeld tot zes maandengevangenisstraf, maar ik blijf optimistisch. Want net als mijn advocaat,meen ik dat de zaak tegen mij flinterdun is en dat ik het recht aan mijnkant heb en net als de vele vrienden hier in Istanbul denk ik niet dat ikachter de tralies terecht zal komen.

Dat maakt het enigszins gênant om te zien hoe overdreven dramatisch erover mijn rechtszaak wordt gedaan. Ik ben mij maar al te bewust dat demeeste van mijn vrienden in Istanbul bij wie ik raad heb gevraagd ooit inhun leven veel scherper zijn ondervraagd en vele jaren hebben verloren aanrechtszaken en gevangenisstraffen - alleen maar vanwege een boek, alleenmaar vanwege iets dat ze hebben geschreven.

Hoewel ook ik vatbaar ben voor het schaamtevol zwijgen dat de Turksecultuur ons op zulke momenten ingeeft, ben ik er ook van overtuigd datschaamte en zwijgen deel zijn van het probleem. Omdat ik leef in een landdat zijn pasja's, heiligen en politiemensen bij elke gelegenheid eer wilbewijzen, maar dat weigert zijn schrijvers te eren tenzij ze jaren en jarenhebben doorgebracht in rechtszalen en gevangenissen, en wacht met hetbewijzen van die eer tot vlak voor hun begrafenis, kan ik niet zeggen dathet me verbaasde dat ik voor de rechter werd gedaagd. Ik begrijp waarommijn vrienden glimlachen en tegen me zeggen dat ik eindelijk een 'echteTurkse schrijver' ben geworden nu de staat me achter de tralies wil hebben.Maar toen ik de woorden sprak die me in moeilijkheden brachten, was ik nietop zoek naar dat soort eer.

Afgelopen februari zei ik in een interview met een Zwitserse krant dateen miljoen Armeniërs en dertigduizend Koerden in Turkije zijn vermoord.Daarna beklaagde ik mij erover dat het in mijn land taboe was om daar overte spreken.

Ik had het over het lot van de Ottomaanse Armeniërs in 1915. Onder deserieuze historici in de wereld is het algemeen bekend dat een groot aantalOttomaanse Armeniërs werd gedeporteerd, omdat zij tijdens de EersteWereldoorlog partij gekozen zouden hebben tegen het Ottomaanse Rijk, enonderweg is afgeslacht.

Turkse woordvoerders, de meesten diplomaten, blijven volhouden dat hetdodental veel lager was, dat het niet om genocide ging omdat het geweldniet systematisch was en dat in de loop van de oorlog de Armeniërs ook eenhoop moslims hebben vermoord. Afgelopen september hebben drie zeergerespecteerde universiteiten in Istanbul hun krachten gebundeld om deeerste academische conferentie te organiseren voor Turkse wetenschappersdie openstaan voor opvattingen die niet in overeenstemming zijn met hetofficiële Turkse standpunt, zij het niet dan nadat de staat de conferentietwee keer had verboden. Toch is het belangrijk op te merken dat korthiervoor iedereen die dergelijke opvattingen uitsprak, vervolging engevangenisstraf stond te wachten.

Als de staat bereid is te voorkomen dat de Turkse bevolking te wetenkomt wat er in 1915 met de Ottomaanse Armeniërs is gebeurd, dan mag je dateen taboe noemen. En mijn woorden deden een storm opsteken die een taboewaardig is. Een aantal kranten begon een haatcampagne, terwijl sommigerechtse (zij het niet noodzakelijkerwijs islamistische) commentatoren zover gingen te stellen dat mij voorgoed het zwijgen moest worden opgelegd.Verschillende nationalistisch-extremistische groeperingen organiseerdenbijeenkomsten en demonstraties om te protesteren tegen mijn verraad. Mijnboeken en foto's van mij werden in het openbaar verbrand.

Net als Ka, de held van mijn roman Sneeuw, ontdekte ik hoe het voeldeom een tijd je geliefde stad te moeten verlaten vanwege je politiekeopvattingen. Omdat ik geen olie op het vuur wilde gooien en geen woord overde controverse wilde horen, deed ik er aanvankelijk het zwijgen toe en gafik mij over aan een soort schaamte, vluchtte ik weg voor het publiek enzelfs voor mijn eigen woorden. Toen een provinciegouverneur opriep tot eenopenbare verbranding van mijn boeken en, na mijn terugkeer in Istanbul, deopenbare aanklager in Sisli een zaak tegen mij begon, was ik opeens hetonderwerp geworden van een internationale controverse. Hun strijdlust tenspijt werden degenen die mij wilden kleineren niet alleen gedreven doorpersoonlijke vijandigheid en was hun vijandigheid ook niet alleen maargericht op mij.

Met dit in gedachten, raakte ik er ook van overtuigd dat deze zaak dediscussie in Turkije en het buitenland waard was. Deels was dat omdat ikvond dat de eer van een land niet zozeer wordt besmet door de discussieover de zwarte bladzijden uit de geschiedenis ervan, maar door deonmogelijkheid die te bespreken. Ook was het omdat ik vond dat in hethuidige Turkije het verbod op het bespreken van de Armeniërs inging tegende vrijheid van meningsuiting en dat deze twee zaken onverbrekelijk metelkaar waren verbonden.

Hoezeer ik ook werd getroost door de internationale interesse in mijnwonderlijke en hachelijke situatie en door de genereuze steun die ikontving, toch voelde ik mij soms ook ongemakkelijk nu ik tussen mijn landen de rest van de wereld was komen in te staan. Toen ik sommigen hoordezeggen dat een land dat zo fanatiek vasthoudt aan zijn oude gewoonte omschrijvers in de gevangenis te gooien niet hoefde te hopen ooit te kunnentoetreden tot de Europese Unie en de Europese conservatieven hoorde zeggendat ze Turkije helemaal buiten Europa willen houden, wilde ik zo graaguitleggen waarom Turkije en Europa, als Turkije er eenmaal in zou slagenlid te worden van de EU, daar allebei alleen maar bij zouden winnen. Hetmoeilijkst om uit te leggen was waarom een land dat zich officieel hadgebonden aan toetreding een schrijver gevangen zou willen zetten wiensboeken in heel Europa bekend waren en waarom dat land zich gedwongen voeldedeze tragedie uit te spelen 'voor westerse ogen' (zoals Conrad gezegd zoukunnen hebben). Dit is geen paradox die je simpel kunt wegredeneren aan dehand van onwetendheid, afgunst of onverdraagzaamheid - en bovendien is hetook niet de enige paradox.

Wat moet ik denken van een land dat enerzijds blijft volhouden dat deTurken, anders dan hun westerse buren, een mededogend volk zijn dat niettot genocide in staat is, terwijl er anderzijds nationalistischegroeperingen zijn die de ene na de andere doodsbedreiging op mij afvuren?Welke logica schuilt er achter een staat die klaagt dat hij over de helewereld tegenstanders heeft die onwaarheden vertellen, maar tegelijkertijdde ene na de andere schrijver vervolgt en in de gevangenis gooit en aldoende het beeld van de 'Verschrikkelijke Turk' wereldwijd verbreidt?Wanneer ik denk aan de hoogleraar die, na door de staat gevraagd te zijnnaar zijn ideeën over de minderheden in Turkije, een rapport opstelde datniet in goede aarde viel en daarna voor het gerecht werd gesleept ombeschuldigd te worden van een misdaad waar gevangenisstraf op staat, ofwanneer ik het nieuws overdenk dat bekend werd tussen het moment waarop ikdit artikel begon te schrijven en aan de zin begon die u nu leest -namelijk dat nog vijf andere schrijvers en journalisten zijn beschuldigdvan het overtreden van artikel 301, dan stel ik mij voor dat Flaubert enNerval, de twee peetvaders van het oriëntalisme, dit bizarreries zoudennoemen - en terecht.

Dat gezegd hebbende, denk ik niet dat de tragedie die zich nu voor onzeogen afspeelt een grotesk en raadselachtig drama is, en uniek voor Turkije.Ik denk dat het eerder een uiting is van een nieuw mondiaal verschijnselwaarvan we het bestaan maar net beginnen te erkennen en dat we nu, hoelangzaam ook, zullen moeten aanpakken. In de afgelopen jaren zijn wegetuige geweest van de verbazingwekkende economische opkomst van India enChina en hebben we gezien hoe zich in deze landen een snelle groei van demiddenklasse heeft voltrokken. Hoe je deze nieuwe elites ook wilt noemen - de niet-westerse bourgeoisie, of de rijk geworden bureaucratie - zijvoelen zich gedwongen, net als de verwesterende elites in mijn land, tweeonderscheiden en schijnbaar onverenigbare dingen te doen om hun nieuwverworven macht en welvaart mee te rechtvaardigen.

Om te beginnen moeten zij de schandalig snelle groei van hun rijkdomrechtvaardigen door de taal en de houding van het Westen aan te nemen.Hebben zij eenmaal de noodzaak van dergelijke kennis onderkend, dan achtenzij het hun taak hun landgenoten te onderrichten. Wanneer de mensen henhekelen omdat zij de traditie ontkennen, antwoorden zij met een giftige enonverdraagzame vorm van nationalisme. De groteske politieke twisten die eenFlaubert-achtige buitenstaander bizarreries zou noemen, zijn misschien nietmeer dan botsingen tussen deze politieke en economische programma's en deculturele aspiraties die ze in het leven roepen.

De onverdraagzaamheid van de Russische staat tegenover de Tsje-tsjenen,de aanvallen op de vrijheid van meningsuiting door de Hindu-nationalistenin India en de discrete etnische zuivering van de Oeigoeren door China -dit alles wordt gevoed door dezelfde tegenstellingen. Aan de ene kant iser de haast deel te nemen aan de wereldeconomie, aan de andere kant denationalistische woede die democratie en vrijheid van denken als westerseuitvindingen ziet.

Nu Turkije aan de poort van Europa klopt, worden zijn vrienden in hetWesten niet moe ons eraan te herinneren dat we, al is het vooral essentieeldat de economie op Europees peil wordt gebracht, niet mogen hopen optoetreding voordat onze regering waarlijk democratisch wordt en demensenrechten respecteert. Terwijl de romanschrijvers van morgen zichvoorbereiden op het vertellen van het verhaal van de particuliere levensvan deze nieuwe elites, gaan zij er zonder twijfel van uit dat het Westende beperkingen die hun landen opleggen aan de vrijheid van meningsuitingzullen bekritiseren.

Maar misschien dat mensen als ik naïef zijn door te hopen op een waredialoog met het Westen, nu de leugens over de oorlog in Irak en degeruchten over de geheime vluchten en gevangenissen van de CIA degeloofwaardigheid van het Westen zo ernstig heeft aangetast.

Meer over