Trots heelt gespleten natie

Nederlanders zijn te bang om nationalistisch over te komen, meent Fouad Laroui, kritische vaderlandsliefde vergroot juist eensgezindheid in de samenleving..

Fouad Laroui

In 1989 - ik woonde toen in Parijs - was ik getuige van een nogal grappige, typisch Frans-Britse ruzie. Dat jaar vierde Frankrijk op grootse wijze de tweehonderdste verjaardag van de Franse Revolutie Er was massaal uitgepakt voor het herdenkingsfeest: exposities, son-et-lumière voorstellingen, discussieforums, allemaal om duidelijk te maken wat voor een universele gebeurtenis dit wel niet was geweest. Dateert de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens niet uit die tijd? Heeft Robespierre toen niet de soevereiniteit van het volk verkondigd? Het scheelde niet veel of François Mitterrand, de toenmalige Franse president, had een progressief kunstenaar opdracht gegeven een bronzen allegorie te vervaardigen: 'Frankrijk schenkt het Universum de Vrijheid'. Het feest was in volle gang toen plotseling de Britse premier mevrouw Thatcher -wie anders? -roet in het eten gooide.

De Fransen kunnen dansen wat ze willen, verklaarde de Iron Lady, maar intussen hebben wij Engelsen toch maar de democratie uitgevonden. Wij en niet zij. En kordaat zwaaiend met de Bill of Rights van 1688 voegde ze er nadrukkelijk aan toe: 'Een eeuw vóór de Franse Revolutie.' Pats, die zat!

Dat gaf flinke heisa. De pers en de hele politieke klasse van Frankrijk, links, rechts en centrum, alles stond op z'n kop. Het 'perfide Albion' werd door het slijk gehaald. Aan beide kanten van het Kanaal vlogen historici, publicisten en gewone huis-tuin-en-keuken xenofoben elkaar in de haren. Zelf was ik, als overgebleven brokstuk van het Keizerrijk, meer op de hand van Parijs, maar ik moet zeggen dat ik met volle teugen van deze storm in een glas water genoot. Na enige tijd kwam de zaak weer tot bedaren, maar het feest was toch haast bedorven.

Het jaar daarop verhuisde ik naar Amsterdam, waar mij een baan als wetenschappelijk onderzoeker was aangeboden. Omdat ik alles van mijn nieuwe vaderland wilde weten, las ik gretig alles wat ik erover te pakken kon krijgen. Zo stuitte ik

op een gegeven moment op een cruciaal volkshistorisch geschrift, te weten het Placcaet van Verlatinghe uit het jaar 1581. In dit 22 pagina's tellende geschrift verklaarden de Staten-Generaal dat Philips de Tweede was onttroond en zij vroegen de hertog van Anjou, de jongere broer van Hendrik de Derde van Frankrijk, de soevereiniteit over het land te willen aanvaarden. Ik kon mijn ogen niet geloven. Ze konden wel inpakken, de Engelsen en de Fransen!

Hier werd de essentie van het hele politieke denken van de moderne tijd verwoord: de vorst is de dienaar van zijn onderdanen en niet het omgekeerde; het volk en zijn vorst hebben een overeenkomst met elkaar gesloten (niks geen koning bij de gratie Gods...). Als de koning niet aan zijn verplichtingen voldoet, heeft het volk het recht hem van de troon te stoten. Hier werd dus maar even twee eeuwen vóór Robespierre vastgesteld dat de soevereiniteit in laatste instantie bij het volk ligt, dat het zijn gunsten naar eigen goeddunken kan verlenen of hernemen. We zijn hier lichtjaren verwijderd van het arrogante L'Etat, c'est moi van Lodewijk de Veertiende, die nog niet eens was geboren. Kort daarop hoorde ik dat toen Thomas Jefferson de Amerikaanse grondwet aan het opstellen was, hij over een kopie van het Placcaet beschikte .

In de tussentijd had ik mijn Nederlandse vrienden en collega's mijn anekdote over de Frans-Britse ruzie verteld, en ook over het feit dat beide landen de plank missloegen, want dat degenen die de volkssoevereintiteit eigenlijk hadden uitgevonden hun voorouders van de Staten-Generaal der Nederlanden waren geweest. Maar mijn enthousiasme bekoelde snel. Tot mijn grote verbazing had niemand van mijn collega's ooit van het hele geschrift gehoord. Misschien kwam het door mijn wat barokke uitspraak van het Nederlands. Maar het lijkt er meer op dat ze werkelijk niet wisten waarover ik het had - of dat het ze allemaal geen moer kon schelen.

We zijn vijftien jaar verder. En opnieuw herhaalt de geschiedenis zich, ditmaal naar aanleiding van een boek dat ik net uit heb. Als zuiver produkt van het Franse onderwijssysteem 'weet' ik al van kindsbeen af dat de bedenker van de theorie van de beperkte relativiteit niet een of andere onduidelijke apatride , Einstein genaamd, is geweest, maar een Fransman, en wel de geleerde polytechnicien Henri Poincaré (1854-1912). Dit is overigens niet geheel onjuist, want Poincaré heeft destijds intuïtief de relativiteitstheorie aangevoeld. Maar tijdens het lezen van een recent verschenen boek dat de Amerikaanse historicus Peter Galison aan deze affaire (Poincaré contra Einstein) heeft gewijd, begreep ik dat er nog een derde persoon in het spel was: Hendrik Lorentz, die in 1902 de Nobelprijs voor natuurkunde ontving.

Hij is de geestelijk vader van de formules betreffende het inkrimpen van tijd en ruimte. De idee van de 'virtuele tijd' is ook van hem afkomstig. Uiteindelijk hebben de drie mannen elkaar ontmoet op het beroemde congres van Solvay in 1911. 'Lorentz is een wonder van intelligentie en tact', vond Einstein, die ietwat gereserveerder over Poincaré was. Wat de laatste betreft, deze zou het tot in zijn laatste lezing - die hij hield in 1912 in Londen, het jaar van zijn dood - blijven hebben over het relativiteitsprincipe van... Lorentz, en niet van Einstein!

Meer dan alle wat vage details van deze affaire interesseert me vooral het sociaal-psychologische aspect ervan: hoe kan het toch dat het zo moeilijk is een Nederlander te vinden die bereid is uit naam van Lorentz voor zijn land de roem op te eisen van het bedenken van de relativiteitstheorie?

Het antwoord is algemeen bekend: omdat men als de dood is voor nationalisme. Men scheert dat soort dingen vrolijk over één kam met het veronderstelde chauvinisme van de Fransen of het jingoism van de Engelsen.

In het land van de tulpen is 'nationalisme' bijna een scheldwoord. Kan je als Nederlander trots zijn op je nationaliteit?

Een vreemde vraag die nog veel vreemdere reacties oproept. Een paar maanden geleden, toen ik voor een publiek van medewerkers van het Rijksmuseum sprak, voelde ik hoe de hele zaal door gêne bevangen werd, toen ik opperde dat een vernieuwd nationaal museum er onder meer naar zou horen te streven een zekere trots in het hart van de bezoekers te doen opkomen. Ik werd door iemand geïnterrumpeerd: 'Trots zegt u? Zoiets hoort niet tot de traditionele functies van een museum.' Zijn collega's knikten goedkeurend. Ik deed nog een poging onderscheid te maken tussen de vierhonderddertig musea die het land telt en HET nationale museum. Vergeefse moeite: het Rijksmuseum stelt objécten ten toon. Daarmee uit.

Toch had mijn voorstel wel degelijk direct te maken met de diverse functies van een museum. En als de functie die ik noemde niet bestaat, dan zou hij misschien moeten worden uitgevonden. En wel zo gauw mogelijk. Zoals het er nu voorstaat is de helft van de kinderen die je in Amsterdam op straat tegenkomt van buitenlandse origine. De ouders van die kinderen komen, zo is vastgesteld, uit honderdtien verschillende buitenlanden. Over zo'n tien, twintig jaar zijn deze kinderen volwassen en horen ze samen een volk te vormen. Maar hoe ?

Wat dit betreft haalt men in Frankrijk terecht dikwijls een welbekend werkje van Ernest Renan aan, Qu'est-ce qu'une nation?, een uit 1882 daterend boekje waarin Renan stelt dat een natie aan twee voorwaarden moet voldoen: ten eerste hoort men in het gemeenschappelijk bezit te zijn van een rijk erfgoed van herinneringen en ten tweede het verlangen te koesteren gemeenschappelijk met elkaar te leven. Eerstgenoemde voorwaarde is in het verleden gelegen, de tweede in het heden. Nu stelt datgene wat tot het verleden behoort alleen iets voor wanneer het algemeen bekend is. Want wat heeft een 'rijk erfgoed van herinneringen' voor zin als men alles is vergeten, of - nog erger - als men helemaal van toeten noch blazen weet?

In tegenstelling tot wat mijn opponent in het Rijksmuseum beweerde is een van de doelen waarnaar een nationaal museum streeft juist het zichtbaar maken van een dergelijk erfgoed en het aanschouwen daarvan heeft alleen zin wanneer dat een zekere emotie bij de aanschouwer teweegbrengt - laten we het voor het gemak trots noemen - een emotie die hem doet beseffen dat hij deel uitmaakt van een natie. Stel dat dat gevoel nu ook nog Renans tweede voorwaarde in vervulling zou doen gaan -het verlangen om gemeenschappelijk met elkaar te leven, en het erfgoed dat men intact en onverdeeld heeft ontvangen zo goed mogelijk tot zijn recht te laten komen, zou dat niet geweldig zijn?

Laten de cynici niet vergeten dat je momenteel her en der in Amsterdam 'Fuck Nederland'-graffiti tegenkomt, ontsproten aan de geest van poëten van de tweede generatie, anders gezegd: Nederlanders. Waarom laten we die niet eens verplicht het Rijksmuseum van binnen bekijken? Of de groten van de Nederlandse literatuur bestuderen?

Ik zeg het nogmaals, het gaat hier om een pragmatische bijdrage aan een probleem waarmee we hoe dan ook steeds dwingender zullen worden geconfronteerd, namelijk de natie en haar samenstellende delen. Het gaat er hier niet om de lof te zingen van nationalisme op zich - ik moet bekennen dat dergelijke gevoelens me persoonlijk nogal vreemd zijn - maar het te gebruiken als een middel om de spanningen tussen de diverse etnische gemeenschappen te verminderen.

Laten we een concreet, enigszins banaal voorbeeld nemen: de properheid op straat.

Het is algemeen bekend dat in een dorp de straten schoner zijn dan in de stad. Dit verschil valt niet alleen te verklaren uit een sterkere sociale controle, of door de grote aantallen toeristen in de grote steden en het feit dat die over het algemeen veel meer rommel produceren dan de gemiddelde burger. Nee, er is ook iets wat de Engelsen civic pride noemen, burgertrots, en dat soort trots is altijd veel sterker in een dorp, waar je echt het gevoel hebt dat je omgeving van jou is dan in de steden die eerder iets hebben van conglomeraten van groepen, die min of meer vreedzaam naast elkaar coëxisteren. Zou het te ver gaan te beweren dat het er in Amsterdam op straat schoner zou uitzien als het nationale saamhorigheidsgevoel sterker zou zijn? Zou het overdreven zijn te denken dat buren onderling beter met elkaar zouden opschieten als er een 'wil om samen te leven' zou bestaan, iets dat volgens Renan de tweede pijler van de natie vormt?

Hier zou je natuurlijk tegenin kunnen brengen dat het toch een beetje paradoxaal aandoet om de Nederlander, net nu Europa druk bezig is een te worden, trots op zijn Nederlanderschap te willen gaan bijbrengen. Dat is op zich juist. Maar voorlopig is het nog steeds makkelijker een definitie te geven van Nederland dan van Europa.

Europa is vooralsnog een tamelijk abstracte gedachte. De Europese grenzen liggen nog niet vast. Europa spreekt twintig verschillende talen. De Europese geschiedenis is een vrij chaotisch geheel want voor het grootste deel bestaande uit allesverwoestende oorlogen tussen wat nu de lidstaten zijn. Om maar iets te noemen: er is niet eens een Europees nationaal voetbalteam (en voor adolescenten zijn dat de dingen waar het om gaat). Het is heel goed mogelijk dat iedereen hier over een paar generaties even Europees zal zijn als de Amerikanen Amerikaans. Maar zover is het nog lang niet. Terwijl we ons wel min of meer kunnen voorstellen wat het is om Nederlander, Fransman of Spanjaard te zijn.

Verder zou je ook nog tegen mijn stelling kunnen inbrengen dat eisen van 'allochtonen' dat ze trots zijn op de geschiedenis of de artistieke prestaties van hun nieuwe vaderland een vervreemdend effect op hen kan hebben. Zoiets komt toch neer op het definitief verbreken van alle banden met hun land van herkomst? Behalve dat voor de tweede of derde generatie het idee van 'banden met het land van herkomst' zeker geen vanzelfsprekend begrip vormt, is er geen enkele reden waarom zij zich niet tevens voor het 'rijke culturele erfgoed' van het land van hun ouders zou interesseren.

Om het heel concreet te zeggen: een adolescent wiens ouders uit de Rif komen zou heel goed in zijn privé-Pantheon zowel Rembrandt kunnen vereren als Abdelkrim Al-Khattabi, een authentieke historische held die tegen het kolonialisme heeft gestreden. Heeft hij zijn hart aan het royalisme verpand, dan mag hij wat mij betreft naast de foto van Mohammed V die van koningin Wilhelmina ophangen. Zoals de dichter zei, mijn hart telt vele kamers...

En als we het nu toch over het kolonialisme hebben, een vaak zwarte bladzijde uit het verleden van veel Europese landen, vooruit, open met die beerput. Goed, erg trots op het kolonialisme kan een mens niet zijn, maar waarom geen aandacht voor al die rechtvaardigen die zich destijds hier hebben ingezet voor de zaak van de verdrukten volkeren overzee? Als mijn nieuwe vaderland Spanje was zou ik mijn trots richten op Bartholomé de las Casas, auteur van het Kort relaas van de verwoesting van de West-Indische landen, een werkje uit het begin van de zestiende eeuw dat verplichte lectuur op school zou horen te zijn en dat in die periode van moord en doodslag de Spaanse eer heeft gered. De Fransen hadden Victor Schoelcher, dankzij wie de slavernij werd afgeschaft. En als Nederlander kun je met recht trots zijn op Multatuli. Kortom, je moet historisch gewoon de juiste keuze maken. Er zijn overal en in elke tijd goede mensen geweest.

In 1989, toen met dat kinderachtige Frans-Britse gekissebis over de Bill of Rights, vond ik al dat gedoe hooguit anekdotische waarde hebben. Maar de tijden zijn veranderd en alles gaat razendsnel. Nu vandaag de dag het slecht gesteld is met het nationale saamhorigheidsgevoel en het besef begint door te dringen dat het allemaal wel eens lelijk mis zou kunnen gaan, wordt het misschien tijd dat nationale gevoel dat hier vroeger als ouderwets of gevaarlijk werd afgedaan, opnieuw in ere te herstellen.

Misschien wordt het tijd trots te willen zijn op je Nederlanderschap.

Meer over