Triomf der Kazachen

Na het juk van de Sovjets, kwam in Kazachstan een oud soort islam naar boven. Nell Westerlaken reist langs islamitisch erfgoed dat overal wordt gerestaureerd, en komt pelgrims tegen en sjamanen....

Nell Westerlaken

Welke weg je neemt naar Turkestan, het is een lange, en hij loopt door een boomloze steppe, soms bespikkeld met struikgewas. Geschoren door de wind, bruingekleurd door de zon, uitgeteerd door de katoenproductie in de Sovjettijd.

Er is weinig dat het oog vasthoudt tussen de verspreide, verwaarloosde kolchozen waar nu een magere katoenoogst wordt binnengehaald. Bij elk dorp waaien witte vlokken over de weg.

Het mausoleum van Kohja Ahmad Yassawi, aan de rand van de Kazachse stad, verschijnt als een fata morgana. De mooie koepelgewelven lichten op, ultramarijn en turquoise, nog voor de armoedige stad erachter zichtbaar wordt. Een burcht in de woestenij.

In de rozentuin voor de hoge bakstenen poort poseert een bruidspaar te midden van een vrolijk gezelschap. Ze gaan de huwelijkszegen vragen bij de tombe van Yassawi, de 12de-eeuwse oprichter van de eens machtige soefi-orde. Op het plein voor het mausoleum krijgen de bruiloftsgangers in hun moderne stadse kleren gezelschap van etnische Oezbeken met blauwe tulbanden, en Kazachse boeren die hun zwarte petten eerbiedig in de hand nemen voordat ze de grote hal betreden.

Daar staat de triomf van de Kazachen: een reusachtig watervat van brons en goud dat in de 14de eeuw door Perzische handwerkslieden werd gesmeed. De Russen namen het twee ton wegende gevaarte in de jaren dertig mee om het onder te brengen in de Hermitage, maar het Sovjetimperium was nog nauwelijks gebroken of de Kazachen haalden het terug. Ze sleepten het met een oude Sovjettractor door de hoofdpoort. Het is van ons, wilden ze zeggen, het hoort bij onze religie, bij onze identiteit.

In de kamers rondom de hal wordt deemoedig het hoofd gebogen voor de graven van lang gestorven khans en sultans. Het bruidspaar knielt voor de eenvoudige tombe van Yassawi. Families – mannen, vrouwen en kinderen samen – rollen tapijtjes uit. Ze buigen naar het zuidwesten, naar Mekka. Na het gebed pakken ze hun manden uit en eten voor het oog van hun heilige hun pirogi.

Het mag, het kan weer. Er mag openlijk worden gebeden, er mag worden geflirt met de religie, al is het voor bruidsfoto’s. Het mausoleum wordt gerestaureerd en pelgrims en nieuwsgierigen uit heel Centraal-Azië komen naar Turkestan, elk jaar meer dan het jaar daarvoor.

Chroetsjov had prikkeldraad laten plaatsen om het gebouw, maar hij ‘liet het niet helemaal verkommeren’, vertelt Nematjan Sadikov. De Oezbeekse architect geldt als een internationale autoriteit op het gebied van islamitische architectuur. Zestien jaar werkte hij onder de Russen aan de beroemde moskeeën en madrassa’s van zijn woonplaats Samarkand.

‘De Sovjettijd kende ook goede dingen. Er was werk, er was onderwijs en er was aandacht voor cultuur.’ Sadikov is nauw betrokken bij het herstel van het islamitische erfgoed in Zuidoost-Kazachstan. ‘We hebben in Oezbekistan handwerklieden opgeleid die elk detail volgens de traditie kunnen restaureren. Een van mijn mannen studeerde tien jaar bij een oude steenmeester in Samarkand voordat hij het echte werk mocht doen.’

In het stadje Sayran, de geboorteplaats van Yassawi, wordt de tombe van Yassawi’s moeder hersteld door Sadikovs team. ‘Het werk wordt betaald door een oude senator in de Kazachse hoofdstad die uit deze regio afkomstig is. De overheid geeft er nauwelijks geld aan uit, maar steeds meer particulieren durven het aan geld te steken in religieus erfgoed.’ Met de restauraties zie je het aantal pelgrims groeien, zegt hij, ‘en dat zijn niet alleen oude mensen.’

Op een uur rijden van Turkestan, door de steppe waarover ooit de hordes van Djengis Khan naar het oosten raasden en de nomaden hun yurts opzetten, ligt het kleine gerestaureerde mausoleum van Arslan Bab, een leermeester van Yassawi. Een groep van acht westers geklede jongeren hangt aan de lippen van een oude vrouw, ze vertelt een verhaal bij een vitrine met een oude koran. Haar hoofd is slordig omwonden met sjaals, haar rokken staan wijd uit. Eronder draagt ze rubberlaarzen.

‘Dit is Bi Fatima, onze meesteres’, fluistert Daniël, een etnische Rus uit Moskou. Het gezelschap van goed opgeleide jonge Russen is op pelgrimage naar Turkestan, op zoek naar spiritualiteit. Ze doen de heiligdommen aan die zijn verbonden met Yassawi.

Bi Fatima laat via Daniël weten dat ze door christenen Maria wordt genoemd. In dit deel van Centraal-Azië heerst een milde vorm van de islam, die ruimte laat voor invloeden uit andere godsdiensten. De struiken rondom het mausoleum van geel baksteen zijn behangen met stukken textiel en gebedssjaals zoals je die aantreft in de Oost-Aziatische hooglanden.

Bi Fatima is een van de tientallen ‘sjamaansen’ die hun eigen rituelen hebben. Hoe oud ze is? ‘Net als Bramanen heeft ze geen leeftijd’, zegt Daniël eerbiedig, om er nog maar een religie, het oude hindoeïsme, aan toe te voegen.

De jongeren volgen Bi Fatima naar buiten, naar een waterput onder een nieuw afdakje. Ze schept water in een kom en kletst het in het gezicht van haar leerlingen. ‘De tranen van de aarde’, vertaalt Daniël. Het mag een wonder heten dat de aarde hier nog tranen heeft na een eeuw van waterslurpende katoenproductie. Bi Fatima’s woorden verwaaien over de uitgeteerde steppe.

Meer over