Trechter, potlood, popsong De autobiografische odyssee van Walter Dahn

WALTER DAHN (1954) is een troetelkindje. Hij wordt vertroeteld door museumdirecteuren, verzamelaars en galeriehouders. Ze roepen: Geweldig! en Goed Gedaan!...

Rudi Fuchs is zo'n bewonderaar. Fuchs nam de jonge en destijds nog erg wilde 'Nieuwe Wilde' in 1982 mee naar 'zijn' Documenta, bezorgde hem in 1987 een solo-tentoonstelling in het Van Abbemuseum, nodigde hem uit in het Haagse Gemeentemuseum toen hij daar directeur werd, en ontruimt nu royaal elf zalen van het Stedelijk Museum in Amsterdam. 'Ik denk dat het van belang is dat tentoonstellingsmakers het werk van kunstenaars in wie ze geloven met een zekere hardnekkigheid blijven tonen', schrijft Fuchs in het voorwoord van de catalogus. 'Daarom maken we in Amsterdam ruimte voor Rückriem, Förg, Herold, Knoebel, Partenheimer en Dahn.'

Er is geen mens die Fuchs het recht op deze opvatting zal betwisten. Natuurlijk blijf je als kunstliefhebber de kunstenaar volgen 'in wie je gelooft'. De vraag is alleen: is Walter Dahn dat geloof ook waard?

Another Time, Another Place heet de tentoonstelling in het Stedelijk en met die titel wordt laconiek afstand genomen van het werk dat Dahn in 1987 in Eindhoven toonde. Dus zijn er geen stripachtige zelfportretten meer te vinden, geen op Afrikaanse primitieve kunst geïnspireerde, stoethaspelig in elkaar gekleide beeldjes, geen in woeste haast geschilderde doeken. Andere tijden, andere zeden. Het troetelkind is ouder geworden en een stuk minder wild.

Dahn grossiert niet meer in gebaren, provocerend vieze kleurklodders (Schmutzfarben) en melige seksuele mopjes. De kunstenaar is 43 jaar. Hij is inmiddels vader van Felix geworden en mag dan niet meer schilderen zoals vroeger, hij blikt toch terug naar vroeger (alsof hij nu al in een midlife-crisis zit), naar zijn erflaters, zijn inspiratiebronnen, zijn wortels. Voor dat terugblikken heeft hij nog steeds schilderijen nodig en ijle tekeningen, maar vooral foto's, vitrines vol attributen en sculpturen.

Want Dahn beperkt zich niet langer tot één medium, maar eigent zich alles toe wat hem voor de voeten komt: van camera tot penseel, van potlood tot kaarsstomp, van trechter tot popsong. Alles wat in het leven voorbij komt, kan van belang zijn - op alle mogelijke manieren en in alle mogelijke stijlen.

Walter Dahns ruimtelijke werk - want dat is wat hij hier in elf episoden, in elf Gesamtkunstwerke tentoonstelt - is één grote autobiografische odyssee. Dat wordt duidelijk zodra je een voet over de drempel van de eerste zaal van de tentoonstelling zet.

Hier liggen in één vitrine de artistieke 'resten', waar Dahns verwantschap met zijn leermeester en streekgenoot Beuys vanaf bliksemt - een knoestige stok, een stempel, een ingelijst plaatje van een draaitol. In een vitrine er tegenover liggen Dahns peetvaders letterlijk, aan de hand van 'belangrijke boeken', uitgestald: in de eerste plaats Beuys, Paul Thek, Albert Camus, Greil Marcus en diens idool Elvis Presley. In de hele tentoonstelling komen dezen terug, als gesprekspartners bij wie Dahn even langswipt voor een praatje, weer verder gaat, de draad van zijn eigen verhaal weer opneemt, z'n zin afmaakt en toch ook weer niet - naar het hem belieft.

Beuys krijgt een dik saluut in een met vet besmeurd aquarium waarin droogbloemen, dode vliegjes en een stuk hout liggen. Goya wordt begroet met een zwarte hoed vol half afgebrande kaarsen - een ouderwets, voor schilders geschikt licht in tijden dat er nog geen elektrische lampen bestonden. En Elvis wordt meerdere malen herdacht, op foto's met slordig geschreven teksten ('Fuck me, I'm horny') en in schattige huisjes van wrakhout waar Dahn zijn eigen house of the blues op projecteert.

Daartussendoor glimlach je met Dahn mee om twee vrolijke surfboarden. Je schiet in de lach om de aan het eind van de tentoonstelling opgehangen tekst 'Go home, there is nothing 2 see', maar tegelijkertijd ergert dit gratuite gebaar je. Er zijn composities die de associaties rijkelijk doen stromen, zoals de aan de grote cultureel antropoloog Lévi-Strauss refererende boomstam die staat vastgekit in een pannetje op het fornuis (The Raw and the Cooked). Maar er zijn ook beelden bij die zo hol zijn als een vat, of - nog erger - die je siberisch laten.

Het probleem met Dahn is dat hij zowel het een als het ander is. Hij maakt goed én slecht. Hij slaagt erin om in de ene zaal een bijtend melancholiek beeld op te roepen van een voorbije jeugd vol mislukte goede bedoelingen, aan de hand van eenvoudige teksten, piepkleine fotootjes en zo'n lief strandhuisje van sloophout. Maar in een zaal verder valt het hele raamwerk ineen en verhoudt geen compositie zich tot een ander. De woordgrappen zijn flauw én speels, de tekeningen slap én ijzersterk. De metaforen waarmee hij oproept tot rebellie en zelfbeschikking, zijn op de ene plek fijnzinnig, maar even verderop hemeltergend clichématig.

Zelf zegt Dahn (in de catalogus): 'Ik heb Beuys geobserveerd en zo van hem geleerd hoe je iets kunt maken zonder in ideologie te vervallen. Ik heb openheid, respect en solidariteit van hem geleerd (. . .) en dat je om jezelf moet kunnen lachen. (. . .) Ik heb ook gezien hoe je je eigen biografie, het alledaagse op je werk kunt betrekken en hoe een ''1:1 verhouding'' kan ontstaan tussen auteur en werk. (. . .) Beuys toonde mij in zijn lessen en werk dat je het geheel op een bepaald moment als één groot zelfportret van de maker kunt zien.'

Dat klinkt plausibeler dan het is. Want een zelfportret van de maker is alleen dan voor een groot publiek interessant, als die maker ook iets te vertellen heeft dat zijn eigen huiskamer ontstijgt. En dat is maar zelden het geval bij Dahn.

Dahn is een troetelkind geweest en gebleven. Hij is een oud kind dat nooit enige zelfkritiek heeft hoeven en willen uitoefenen (ondanks dat gelach om zichzelf). Waarom zou hij ook? Beuys' 'zelfportret-opvatting' pleit hem daarvan vrij. Voor de toeschouwer was het echter beter geweest als Dahn meer het kaf van het koren had gescheiden, en niet zijn hele hebben en houden in het museum had opgesteld.

We zijn best bereid in de wereld van Walter Dahn te stappen. Hij moedigt de kijker daar ook toe aan, door middel van een knallend blauw op de muur geschilderde tekst van Bob Dylan, 'I'll let you be in my dreams if I can be in yours', in een van de laatste zalen van de tentoonstelling. Maar het is tekenend voor Dahn dat hij zelfs voor zo'n gedachte een ander nodig heeft.

Another Time, Another Place: Walter Dahn. Stedelijk Museum, Amsterdam, tot en met 23 november. Bij de tentoonstelling verschijnt een catalogus met teksten van onder anderen Marcus Steinweg, Volker Freitag en Martijn van Nieuwenhuyzen.

Meer over