Trans-Atlantisch

Echte mannen en fictieve vrouwen, verbluffend samengebracht

Hans Bouman

In de proloog van Colum McCanns roman TransAtlantic ziet een vrouw hoe zeemeeuwen oesters op het dak van haar huis gooien om ze te doen openbarsten, opdat ze de inhoud ervan kunnen opeten. Daarna wordt de lezer meegevoerd naar de eerste trans-Atlantische vlucht, die in juni 1919 werd gemaakt door twee voormalige oorlogsvliegers.

Vervolgens maakt de roman opnieuw een tijdsprong, nu naar 1845, als de voormalige slaaf Frederick Douglass naar Ierland reist, om daar zijn autobiografie te promoten en te pleiten voor afschaffing van de slavernij in de Verenigde Staten. Een derde verhaallijn voert naar 1998, als de Amerikaanse senator George Mitchell zich opmaakt om naar Ierland af te reizen voor de finale onderhandelingsronde, die tot de Goede Vrijdag-akkoorden zal leiden. In de tweede romanhelft worden deze drie trans-Atlantische verhaallijnen elegant met elkaar verweven. Nu wordt ook een viertal fictieve, vrouwelijke personages, die in het eerste deel terloops de revue passeerden, voor het voetlicht gebracht.

TransAtlantic is verbluffend compositorisch jongleerwerk. Maar wat vooral imponeert is de wijze waarop McCann telkens opnieuw een geheel nieuwe wereld tot leven brengt. Hij brengte en eerbetoon aan de bijna symbiotische relatie tussen Ierland en de Verenigde Staten. In dat eerbetoon overtuigen de historische mannen uit de eerst helft van de roman, en blazen de fictieve vrouwen uit de tweede helft je soms van de sokken.

Meer over