Tovenaar Lucebert

Toch is het gek. Vele bladzijden lang legt de geleerde kunstprofessor Jens Christian Jensen (1926) me uit dat ik de schilderkunst van Lucebert los moet zien van diens gedichten, maar ik heb z'n boek nog niet uit - en alle plaatjes uitvoerig bewonderd - of ik loop naar de boekenkast...

Onverbeterlijk.

Wat God heeft verbonden, zegt men wel, moet de mens niet scheiden. Laten we het erop houden dat dit gevleugelde woord mutatis mutandis ook opgaat voor het werk van Lucebert, waarin gedichten, tekeningen en schilderijen voor mij één zijn en zullen blijven, want - als zaad, als spermatazoa, als ejaculaties van een hogere orde - voortgekomen uit het kinderlijke, vindingrijke, enthousiaste, slimme, dwarse, fantastische en intelligente driftleven van een man, die hoe clownesk treurig, geslagen en in de put ook, maar doorging met zijn pogingen om iets essentieels van hemzelf als mens zichtbaar of hoorbaar te maken (Lucebert kon zijn eigen poëzie onnavolgbaar voordragen).

Lezen en kijken, zou ik zeggen, en je komt er vanzelf achter wat deze gedichten en schilderijen met elkaar te maken hebben. Of niet. Daar heb je geen kunsthistorische verhandelingen voor nodig.

Veelal is wat je in het boek Lucebert, schilder leest eenvoudigweg onbegrijpelijk, omdat de auteur, nog gezwegen van de soms vreemde klinkende vertaling, zich bedient van een code die intra muros vermoedelijk door vakgenoten voor lief genomen wordt, maar daarbuiten oog en oor mateloos vermoeit.

Valt er iets uit te leggen aan kunst zoals Lucebert die maakt?

Het is hem zelf weleens gevraagd.

Het antwoord werd een sculptuur van proza, het bekende 'Voorwoord voor val voor vliegengod'. Dat bood dezelfde chaotische aanblik als veel van zijn gedichten, wat de waarachtige beschrijving van allerlei sociale, artistieke en cultuurhistorische fenomenen alleen maar ten goede kwam. Het feit dat de dichter sprak als iemand die in de Amsterdamse Jordaan was geboren en getogen, voegde er een volkse deskundigheid aan toe die latere linkse leiders met afgunst zullen hebben opgemerkt.

Lucebert schreef: 'De jordaner was eens mèt al zijn rumoerige ontroeringen en uitbundige sentimenten een verfijnd mens en dat was geen wonder, want er zat veel oud frans bloed bij. Ik ben zelf een jordaner en weet dus waarover ik het heb. De platte moppen en grollen die men nu de jordaner in de mond meent te moeten leggen, opdat het maar vooral echt hollands-folklorisch zal klinken, daar had elke ouderwetse rechtgeaarde jordanees van gekotst. Zover heeft men ze wel gekregen, dat ze nu zelf om die opgekalefaterde smeerpijperij lachen. Wijs me vandaagdedag nog een jordaner aan die fatsoenlijk, zoals het behoort, even van zijn stoel opwipt als hij een scheet moet laten. Die is niet meer te vinden. Ze blijven er tegenwoordig allemaal bij zitten, omdat men het in België ook zo doet!'

Een groot man.

Een groot dichter.

Een groot schilder ook - zou ik er graag aan hebben toegevoegd, maar dát oordeel is lastiger, omdat ik veel te weinig van die schilderijen heb gezien. De afbeeldingen in dit boek hebben me er wel weer veel nieuwsgieriger naar gemaakt.

Jens Christian Jensen: Lucebert, schilder. SUN; ¿ 45,-, fl 99,-.