Tot de tijd komt

In het dagelijks leven op Okinawa zijn de Yankees niet over het hoofd te zien. ‘Westers is cool.’..

Eric van den Berg

De betovergrootvader ziet de zon ondergaan in de Oost-Chinese Zee. Hij geniet nog elke dag van het azuurblauwe water, van de schepen die opstomen naar de hoofdstad Naha, van de zeker 80-jarige vrouw die zeewier uit het water schept en met een volle bak op haar rug terug het strand op schuifelt.

De voorvader, rustend in zijn tuinhuisformaat graf aan kustweg 58, denkt niet: hee, wat is die vrouw oud. Nee, de voorvader denkt: die vrouw is nog jong, nog zó jong. Haar tijd komt nog.

Dat is wat de senzo suhai, het traditionele geloof van Okinawa, vertelt: de voorvaderen waken over u.

Rijen graven, soms in een vorm die een baarmoeder moet verbeelden, bekleden de heuvels van het Japanse eiland. Elk jaar, op de vijftiende dag na de derde nieuwe maan, komen families samen bij de tombes, om te eten en te drinken, om de familiebanden te verstevigen. Om de vorige generaties te eren.

De voorvaderen liggen doorgaans op A-locaties. Met uitzicht op het water dat de 160 eilanden van Okinawa omringt. Van de ene kant kwamen de Chinezen aanzeilen om handel te drijven; aan de andere kant arriveerden eeuwen later de Japanners, die het koninkrijk opeisten; van boven kwamen aan het eind van de laatste oorlog de Amerikanen, die het eiland bombardeerden. En zij bleven.

Het is het lot, zeggen de Okinawan, het is nu eenmaal zo.

Liever op zoek naar verbroedering en vriendschap. Toen de eilandengroep nog een koninkrijk was, tijdens de Ryukyu-dynastie (1429-1879), was iedereen schatplichtig aan China. Daar kon de bevolking mee leven. Toen Sho Tai, de laatste koning, uit zijn paleis werd gejaagd, werd Okinawa de zuidelijkste prefectuur van Japan. Dat moest dan maar. Het leven ligt niet achter ons, maar voor ons.

En zo leven de Okinawan nu op het hoofdeiland zij aan zij met de Amerikanen – zeker 35 duizend soldaten plus aanhang. Het Amerikaanse leger zit hier sinds 1945, sinds de Slag om Okinawa. Tijdens dat gevecht werden 150 duizend burgers gedood, eenderde van de toenmalige eilandbevolking. Plus nog eens 70 duizend soldaten uit het Japanse leger. Het was een tetsu no ame, kunnen de oudsten nog navertellen, een regen van staal.

Japan kreeg Okinawa in 1972 terug. Maar het Amerikaanse leger bleef. Nog steeds is 20 procent van het eiland ‘geleast’ aan de VS: zo heeft Naha ook een militaire haven, en is Kadena Airbase de grootste VS-luchtmachtbasis in Zuid-Oost Azië. Op drukke dagen stijgen hier 200 vliegtuigen op.

Het is een uitje voor de Okinawan op de vrije zaterdag en een attractie voor de vier miljoen toeristen van het Japanse ‘vasteland’ die hier jaarlijks vakantie komen vieren. Picknicken aan een tafel op het Observatiedek, of in de Sky Lounge Kadena, met uitzicht over 53 vierkante kilometer Amerika: een vliegveld met twintigduizend man personeel, en twee start-en landingsbanen van 4 kilometer lang. Voor de oorlog was dit het vliegveld van het Keizerlijk Leger, nu mag in noodgevallen de Space Shuttle hier landen.

Achter de hoge muur liggen 18 holes-golfbanen, zitten vestigingen van Starbucks Coffee, staan benzinestations met goedkope benzine. Eén keer per jaar is het open dag, mogen de Okinawan naar de oorlogsvliegtuigen kijken, één keer per jaar is het Kadena Air Base Carnaval, één keer per jaar loopt de Okinawa Marathon over een randje van het terrein, en twee keer per jaar rekruteert het leger onder de bevolking kantoorpersoneel, brandweerlieden en verpleegsters.

‘Werken op de basis is populair’, zegt Yukari Marsh, lerares Engels, tolk en gids. ‘Het betaalt goed, de jongeren leren er Engels.’

Waar ze ook goed Engels leren: in Okinawa City, officieus de Amerikaanse hoofdstad van het eiland en een van de vele stedelijke conglomeraten die het groen van het eiland in de verdrukking hebben gebracht. Hier vind je jonge Okinawan in restaurants, disco’s en bars. Iets minder vriendelijk dan elders op het eiland, maar dat komt misschien omdat ze enkel gasten voor zich hebben die een Y op de nummerplaat van hun auto hebben staan: Yankee. Drankje in de First Chance Saloon, Roud 69 of Side Door: ‘Dat is dan 4 dollar. Wat? You have Japanese money?’ Er is een pooltafel, het bier heet Coors en Bud Light; een hotdog aan de Gate 2-straat, de straat naar ingang 2 van de basis, kost 3 dollar of 300 yen.

‘Westers is cool’, zegt Yukari. ‘Of het nu een broek is of een videorecorder, iedereen wil alles hebben.’ De yard sales en garage sales zijn in trek, en ook de vlooienmarkten op de parkeerplaatsen van de legerbases. Zo recyclet Okinawa yankee-spullen. Niks nieuws: al direct na de Tweede Wereldoorlog verzamelde de bevolking Coca-Colaflesjes die de militairen her en der achterlieten. Glasblazers overleefden ermee.

Okinawa is altijd een van de minst welvarende prefecturen van Japan gebleven. Heeft een gezin in Japan gemiddeld een jaarinkomen van 3,7 miljoen yen (23 duizend euro), op Okinawa blijft een gezin steken op 2,2 miljoen (14 duizend euro). Verdiend met suikerriet, in de visserij, maar tegenwoordig vooral met het toerisme. Japanners (en ook Taiwanezen, Koreanen en Chinezen) komen naar de kleinere eilanden voor de zon en de idyllische lagunes, en naar het hoofdeiland voor een van de dertig luxehotels aan de Onna-kust en – het is nu eenmaal zo – het verleden.

Terug naar de 13de eeuw, toen een van de aji’s, de lokale heersers, het Nakijin Kasteel nog bewoonde, waar nu het volgebouwde eiland plots weer groen lijkt, waar de man van het kraampje een bekertje suikerrietlimonade cadeau doet. Terug naar de 15de eeuw, naar het huis van de rijke Nakamura-familie, waar de muur voor de ingang nog steeds de kwade geesten buiten houdt en de hoge bomen nog steeds de tyfoons weren.

En terug naar de realiteit: het Shuri Kasteel, waarin de Ryukyu-koningen hun hof hielden en nu de regering zetelt, dateert uit 1992. De topattractie van het eiland is een complete replica. Het hoofdgebouw, gemodelleerd naar de Hal van de Keizerlijke Vrede in Peking, stond hier vermoedelijk al in de 14de eeuw, maar is al vier keer volledig verwoest. De laatste keer in de Tweede Wereldoorlog, toen de Amerikanen het complex bombardeerden: het hoofdkwartier van de Japanners zat in de kelder.

Altijd de oorlog. De Okinawan zullen zeggen dat het hún oorlog niet eens was, maar die van Japan, dat welbeschouwd de eilanden ook maar had ingelijfd. Overal de oorlog. Er zijn 232 duizend doden te betreuren, zien we nergens zo duidelijk als in het kolossale Peace Memorial Park aan de zuidkust van het eiland, op de plek waar de Amerikanen aan land kwamen in maart 1945. Hier zijn alle namen gegraveerd in eindeloze rijen granieten muren. Inclusief die van de twaalfduizend omgekomen Amerikaanse soldaten, want de Okinawan herdenken hier álle slachtoffers.

Het is geen oorlogs-monument maar een vredes-monument. En een paar kilometer verderop is er ook een monument van verdriet; in het Himeyuri-museum is Het Lot het moeilijkst te accepteren. Hier worden de 222 schoolmeisjes en 18 leraressen herdacht die te werk werden gesteld door het Japanse leger. Ze moesten aan de slag als verpleegster. Toen de nederlaag zich aftekende, werden ze midden in gevechtsgebied achtergelaten. Ze kwamen om bij gas- of mortieraanvallen door de Amerikanen, pleegden zelfmoord, of verscholen zich in groepjes in natte, donkere grotten en verhongerden.

‘Het was zo stil dat je een speld kon horen vallen’, schrijft een toen 16-jarig meisje in een getuigenis, een van de 21 overlevenden. ‘Dus als je niet langer de stem van iemand hoorde, wist je dat ze dood was. De ene na de andere stem verdween. Eerst Chinen, toen Hamamoto, Ishikawa, Kanda en Higa. Natuurlijk kon je niet precies weten wíe doodging of wanneer. Hamamoto en Chinen waren al gewond in hun gezicht, die konden sowieso niet meer praten.’

Denk dan nog maar eens als je buiten staat: het leven ligt vóór ons.

Het leven dient gevierd.

‘Het is de kracht van de mensen hier: the spirit of life. Velen waren vroeger arm, dat zullen ze niet vergeten. Ze waarderen alles’, meent Emi van Emi’s Shop, een restaurant in het dorpje Ogimi. ‘Ik heb klanten van 98 en 99 jaar oud. Als ik aan het koken ben, hoor ik wie er in de verte aan komt lopen, zo luid en druk zijn ze aan het praten.’

Zelf is Emi pas 50, veel van haar gasten zijn de 70 en zelfs de 80 al ver gepasseerd. Worden de Okinawan gemiddeld al ouder dan de rest van Japan, Ogimi, in het noorden, is het dorp met gemiddeld de oudste inwoners ter wereld. Van de 3500 mensen is 40 procent ouder dan 60 jaar, 12 vrouwen zijn boven de 100. Ogimi is daarmee gekroond tot het Lang Leven Dorp.

Wat het geheim is? Het antwoord is niet eenduidig. Het klimaat is mild, dat is één. En het eten gezond. Emi volgt de traditie en kookt in haar restaurant Longevity Food: ze gebruikt enkel lokaal verbouwde producten, grilt de blauwe vis niet maar kookt hem heel kort om ‘al het goede’ er in te houden, en kookt het varkensvlees juist weer heel lang om het vet eruit te krijgen. ‘Je moet van alles een beetje eten, dat is het belangrijkste. Het gaat om de balans.’

Als je écht oud wilt worden, moet je ook je eigen groenten plukken of rapen, zelf bereiden, en eventueel zelf verkopen op de markt. ‘Het woord pensioen bestaat niet. En het gemeenschapsgevoel is sterk’, zeg Emi. ‘De ouderen gaan ’s ochtends niet in hun eentje thee drinken, ze gaan naar de buren. De volgende dag komt de buurvrouw bij jou.’

Actief blijven, zonder stress. Tot de tijd komt. En degenen die je voorgingen blijven vereren. Bij hun graf aan kustweg 58, gezellig met een picknickmand erbij. Mochten de voorvaderen je op je 90ste uitnodigen in de hemel, zo staat op een steen in het dorp, vraag dan of ze geduld hebben totdat je 100 bent. En dan kun je het in overweging nemen.

Meer over