Topkeizer met een glanzend imago

Presentatie en imago waren in hoge mate bepalend voor het succes of het falen van Romeinse keizers. Augustus wist er als geen ander iets van te maken....

Bij al zijn rare fratsen en dictatoriale neigingen moet je Silvio Berlusconi wel nageven dat hij weet hoe hij zijn macht en de media moet gebruiken. Wat dat aangaat had hij een vaardig Romeins keizer kunnen zijn. Voor de oude heersers van Rome waren presentatie en imago van groot belang om zich te kunnen handhaven. Augustus, de eerste keizer, ging daar gewiekst mee om. Zijn beroemde voorganger, Julius Caesar, wat minder.

Caesar was geliefd onder zijn volk en zijn militairen, maar impopulair in de senaat. Hij gedroeg zich uitdrukkelijk als een alleenheerser die geen boodschap had aan de machtige senatoren. Hun irritatie daarover was groot en bereikte een hoogtepunt toen de dictator in de laatste maanden van zijn leven ook nog eens de goddelijke status werd toegekend. ‘Waarschijnlijk’, schrijft Olivier Hekster in Romeinse keizers – De macht van het imago, ‘was dit een belangrijke aanleiding tot de moord (. . .): Caesar had zijn macht te nadrukkelijk gepresenteerd.’ In maart van het jaar 44 v. Chr. werd de dictator met 23 senatoriale dolksteken om het leven gebracht. Hij zou een voorbeeld blijven voor zijn opvolger Octavianus, de latere keizer Augustus.

Augustus had van Caesars noodlottige ondergang geleerd dat hij zijn machtsbasis evenwichtig over drie groepen moest spreiden: de soldaten, de senatoren en het volk van Rome – en dat zijn presentatie er nadrukkelijk toe deed. Heersen over het Romeinse Rijk was een kwestie van checks and balances, beeldvorming en reputatie. In onze tijd is dat niet veel anders, en dat maakt het boek van Hekster tot een feest van herkenning voor wie er lol aan beleeft om het verleden af en toe op het heden te projecteren.

Olivier Hekster (1974) is hoogleraar oude geschiedenis in Nijmegen en schrijft al jaren in een onwankelbaar staccato wetenschappelijke artikelen en boeken over uiteenlopende aspecten van het Romeinse Rijk. Zijn kleine geschiedschrijving over de Romeinse keizers, van Augustus (27 v. Chr.-14) tot Constantijn (307-337), gaat vooral over hun ‘zelfpresentatie’, zoals hij dat noemt, en hun imago.

Een keizer stond of viel bij de reputatie die hij had, en moest daar, als hij overeind wilde blijven, hard aan trekken.

In dat verband noemt de auteur in zijn inleiding het grote verschil tussen Trajanus (98-117), die, ook in zijn eigen tijd, als een van de beste keizers te boek stond, en Nero (54-68), die een slechte reputatie had en er weinig aan deed om daarin verandering te brengen.

Augustus moet een bestuurlijk toptalent zijn geweest, een schoolvoorbeeld voor zijn opvolgers. Het aanvankelijke triumviraat waarvan hij samen met Marcus Antonius en Lepides deel uitmaakte, boog hij gaandeweg om naar een alleenheerschappij die niet zo mocht heten. Tegenover de senatoren stelde hij zich als princeps bescheiden op.

Hij accepteerde niet alle functies die hem werden aangeboden en liet hen geloven dat ze wel degelijk zo machtig waren als ze zelf graag wilden zijn. Zijn soldaten en het volk van Rome bracht hij in verrukking met klinkende militaire overwinningen, die niet door hemzelf maar door zijn generaal Agrippa werden behaald.

Zo werd hij keizer van een republiek. Of zoals Hekster zijn aanvankelijke bestuurlijke periode omschrijft: ‘...Octavianus [zou] stapsgewijs een systeem bouwen waarin hij duidelijk de baas was, maar tegelijkertijd zijn macht verhulde achter een ‘republikeinse façade’.’

De beeldvorming rondom een keizer werd voor een deel bepaald door hoe er over hem werd geschreven. Om hun imago op te poetsen maakten sommige keizers actief gebruik van hun eigen massamedia, die in de vorm van munten en beelden over het land werden uitgevent. Het konterfeitsel van de keizer werd in munten geslagen, soms in combinatie met de beeltenis van een god, zodat de suggestie van een keizer met goddelijke trekken niet kon worden misverstaan. Zo werd de heerser samen met zijn portretten en beelden aan het volk getoond.

Augustus, de tacticus, creëerde verschillende, soms zelfs tegenstrijdige imago’s, schrijft Hekster, die door de verschillende relevante groepen in het rijk werden geaccepteerd. Geen van zijn directe opvolgers wist hem daarin te evenaren of zelfs te benaderen.

Heksters boek geeft een mooi, scherp beeld van hoe al die keizerlijke grootheden – goed, slecht of gek – hun regime tot een succes of een mislukking wisten te maken – en welke machtsmechanismen daarin een rol speelden. Zelfs Silvio Berlusconi zou er inspiratie uit kunnen putten, mocht hij nog een tijdje ongehavend met zijn politieke theater willen doorgaan.

Jammer is alleen dat Hekster de rol die keizerlijke vrouwen in de onderscheiden periodes speelden, relatief weinig ruimte geeft. Zij moeten, zoals Nero’s moeder Agrippina, in sommige gevallen wel degelijk van grote betekenis zijn geweest voor het regime van hun man, zoon of broer. En zo niet, dan toch in ieder geval voor hun imago.Wim Wirtz

Meer over