Toonbeeld van daadkracht

De Polderatlas van Nederland is een staalkaart van wat Nederland aan landwinning vermag. En al ogen polders stram met hun ‘zakelijke Mondriaanlandschap’, ze zijn verrassend flexibel....

Door Marc van den Eerenbeemt

Is het afgelopen met de grote Nederlandse polderwerken? De auteur van het boek Hollandse polders, publicist en biograaf Willem van der ham, heeft er geen vertrouwen in. De dagen van de grote droogleggingen zijn voorbij, meent hij.

‘De geschiedenis van de droogmakerij eindigt met een anticlimax’, schrijft Van der Ham. ‘De Markerwaard had het sluitstuk moeten worden van het Zuiderzeeproject. Een van de varianten, van 56 duizend hectare groot, zou de grootste droogmakerij ooit zijn geweest.’

In november 1990 zag het kabinet af van inpoldering van het bij Amsterdam gelegen deel van het Markermeer. ‘De kans dat op dat besluit wordt teruggekomen, is miniem.’

Van der Ham roemt de techniek en ook de maatschappelijke betekenis van de grootse polderwerken van Nederland. Die leverden niet alleen land op, zoals halverwege de 19de eeuw de 18 duizend hectare ‘zeer vruchtbaar land’ van de Haarlemmermeer, toen ‘veruit de grootste droogmakerij ooit’.

De droogmakerijen zijn toonbeelden van ondernemingsgeest en daadkracht, noteert de auteur, die eerder een biografie van Cornelis Lely schreef, de politicus en bedwinger van de Zuiderzee. Was de drooglegging van de Zuiderzee niet ‘een groot bezielend werk, dat om durf en krachtsinspanning vraagt’?

In zijn werk, een geschiedenis van de Nederlandse polders in 312 bladzijden, ruimt Van der Ham veel plaats in voor de totstandkoming van het IJsselmeer, ooit de Zuiderzee. ‘Ik acht de tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen’, waren de historische woorden van koningin Wilhelmina in haar troonrede van 1913. Nederland had weer een grote nationale taak.

De IJsselmeerpolders zouden, als landbouwgebied, de nationale rijkdom vergroten. De veiligheid van het om de binnenzee gelegen land werd verzekerd, Friesland en Groningen zouden worden verbonden met het westen van het land. En, niet onbelangrijk, de aanleg zou een uiting zijn van volkskracht.

Van der Ham is geen naïef verheerlijker van de grootse polderwerken. Hij heeft een scherp oog voor de modderzwarte kanten van het droogleggen – en schrijft daar meeslepend over. Ziekte en ellende druipen van de pagina’s af.

De polderarbeiders, zij die het drooggevallen land begaanbaar moesten maken, kwamen thuis in ‘hunne van zweet doortrokken kleren en vuil linnen’, om dan te midden van ‘hunne eigen muffe en ziekelijke uitwasemingen, en van die hunner spijzen, dranken en uitwerpselen’ de nacht door te brengen.

De slachtoffers zijn talrijk. Van der Ham memoreert ook de acht doden die vielen bij de aanleg van de Afsluitdijk, zoals Harm Elzen uit Nieuw-Beerta, die op 1 mei 1930 werd getroffen door een grijper van een ongeremde hijskraan. De aanleg van de Zuiderzee was overigens ook de eerste keer dat gedupeerden, in dit geval de Zuiderzeevissers, compensatie ontvingen voor het verlies van hun broodwinning.

Door verstedelijking van kustgebieden en klimaatverandering zal nog veel land worden gewonnen, verwacht Van der Ham. De Maasvlakte als uitbreiding van de Rotterdamse haven en IJburg bij Amsterdam zijn daar voorbeelden van. Maar dat zijn nog geen polders, vindt hij, geen voorbeelden van ‘de echte, nuchtere droogmakerij, met een dijk, een molen of gemaal, een dambordverkaveling met rechte wegen of sloten, het zakelijke Mondriaanlandschap’.

Nee, het is het nieuwe land van de ‘pannenkoekmethode’ van opspuiten van zand. Er worden wel dijken aangelegd, maar de kom wordt volgespoten, waardoor het land hoger komt te liggen dan het omringende water.

Tja, hoe verder met dit nieuwlichtersland -–en met de oude polders? De Polderatlas van Nederland, eveneens een recente aanvulling op de snel uitdijende hoeveelheid polderliteratuur, wil daarop een antwoord geven, zelfs ‘een traktaat voor onze landschappelijke toekomst’ zijn. Het lijvige boekwerk is een studie naar de landschappelijke essentie van de Nederlandse polder.

Ook in dit werk heerst groot ontzag voor het droogmakerswerk. De atlas is bedoeld als tempel van nationale grootsheid, van de meer dan negenduizend keer (het aantal ‘poldereenheden’) dat de mens het water bedwong en land creëerde. Inleider Erik de Jong, hoogleraar Landschap, noemt het verhaal van de Nederlander en zijn dijken ‘een van de meest fascinerende in de wereldgeschiedenis van de omgang van de mens met zijn landschap’.

Net als Van der Ham ziet De Jong in polders niet alleen nieuwe grond voor landbouw, wegen en huizen. ‘Onze grote traditie in het omgaan met land en water roept op tot durf en elan.’ Zo bezien zou de regering onverwijld moeten besluiten tot de aanleg van nieuwe droogmakerijen. De 19de-eeuwer zou wel raad weten met Markermeer en IJsselmeer.

De Polderatlas is vooral een staalkaart van Nederlandse polders en architectonische principes. Dat maakt het werk vooral geschikt voor de landschapsarchitect die zich diepgravend wil laten informeren over poldercartografie, afwateringspatronen en uitwateringsvormen.

De auteurs, vier landschapswetenschappers, kijken ook vooruit. Zo schetsen zij een nieuwe toekomst voor de Nederlandse polder. Het polderland verstedelijkt op veel plaatsen, zoals met Almere in de Zuidelijke IJsselmeerpolders en de Randstad in ‘het oudste en rijkst geschakeerde polderlandschap van Nederland’.

Om dat nieuwe gebruik van het land goed te begeleiden, moeten landschapsarchitecten diepgaande kennis hebben van de polder en zijn vorm: ‘een egalitair burgerlijk landschap, waarin ambachtelijkheid en het leven van alledag een monumentale uitdrukking hebben gekregen’.

Sowieso is de polder volgens hen nooit af. Met hun rechte wegen zijn de polders een toonbeeld van eenvoud, en die kan wel een stootje hebben. Het eenvoudige ontwerp noemen de landschapswetenschappers ‘zó sterk’ dat het de groei van boerenbedrijven en nieuwe toevoegingen als stadswijken makkelijk aankan.

De polder, drooggelegd of opgespoten, heeft dus nog alle toekomst. Al reppen beide boeken nog niet van de laatste mode rond de dijklanden; het ontpolderen, zoals gaat gebeuren in de Hertogin Hedwigepolder.

Meer over