boekrecensie

Tonio Andrade beschrijft een bijzondere Nederlandse missiereis naar het Chinese hof ★★★☆☆

De Amerikaanse historicus Tonio Andrade vertelt een uniek stukje Nederlandse geschiedenis na op basis van een indrukwekkende hoeveelheid bronnen. Een kleurrijk, soms kostelijk verslag.

Mark Leenhouts
Tonio Andrade Beeld Sylvia Andrade
Tonio AndradeBeeld Sylvia Andrade

Een bekend moment in de geschiedenis van de Chinees-westerse betrekkingen is de missie van de Britse ambassadeur Macartney in 1793, die weigerde de traditionele kowtow uit te voeren voor de grote Qianlong-keizer en onverrichter zake terug moest keren. In het Westen kwam de gebeurtenis symbool te staan voor de hooghartigheid en onbuigzaamheid van China, een beeld dat een belangrijke rol zou spelen in de latere Opiumoorlogen. Daarmee zouden de Britten uiteindelijk hardhandig de handelsrechten opeisen waar het hen om ging – voor China het begin van de ‘eeuw van vernedering’.

Minder bekend is dat er vlak na Macartney een Nederlandse missie plaatsvond, in 1795, waarbij eerste gezant Titsingh en tweede man Van Braam Houckgeest juist hartelijk werden ontvangen, mede omdat zij – hopeloos naïef, in Britse ogen – wél het Chinese protocol volgden. Je zou hun missie daarom geslaagd kunnen noemen, ware het niet dat de geschiedenis roet in het eten gooide: hetzelfde jaar hield de Nederlandse Republiek op te bestaan en kort erna werd de VOC ontmanteld, waardoor er nooit concrete resultaten werden geboekt, behalve een voor buitenlanders zeldzaam verblijf aan het Chinese hof.

Van Kanton naar Beijing

Of is er toch meer? In Het laatste gezantschap heeft historicus Tonio Andrade op basis van een indrukwekkende hoeveelheid bronnen de hele missiereis in kaart gebracht, van VOC-basis Kanton naar Beijing en terug. Leidend waren daarbij de originele journaals van de betrokkenen, die overigens ook mooi geïllustreerd beschikbaar zijn: Isaac Titsingh in China (1794-1796), bezorgd door Frank Lequin (Canaletto, 2005), en Per palankijn naar Peking, door nazaat Nanet van Braam Houckgeest (Verloren, 2021).

Lezend in zijn materiaal zag Andrade de onderneming zo levendig voor zich dat hij besloot alles in de tegenwoordige tijd na te vertellen, alsof de lezer erbij is, compleet met dialogen en spanningsbogen. Een gewaagde keuze, nog afgezien van de vele voetnoten die hij desondanks toevoegt. De gezanten zijn weliswaar geen alledaagse persoonlijkheden, maar de schrijver weet hun verhaal niet echt pakkend te maken. Het blijft vooral een kleurrijk en soms kostelijk verslag.

De tocht van duizenden kilometers was zwaar, doordat het winter was en de begeleidende mandarijnen de staatstoelagen voor de reis afroomden ten koste van haast elk comfort. Tot overmaat van ramp vindt de eerste ontvangst door de keizer ook buiten in de kou plaats, geïmproviseerd lijkt het, en toch trekken de Nederlanders hun overjassen uit om zich in hun officiële kostuums te tonen, tot hilariteit van de Chinezen. Sowieso is de gemoedelijke chaos aan het hof opvallend, ‘overal ging het deftige met het gemene hand in hand’, schrijft Titsingh.

Britse spot

Zo moet de keizer ook vriendelijk lachen als bij de kowtow Van Braams hoed afvalt, een detail dat later tot grimmige Britse spot leidde. Maar in Andrades boek is de sfeer vrij aangenaam, wat voor hem bewijst dat Titsingh en Van Braam, de een voormalig ambassadeur in Japan, de ander een enthousiaste sinofiel, er op grond van hun oosterse ervaring gelijk in hadden om de missie als louter ceremonieel te zien, niet als een gelegenheid om direct zaken te doen.

Dat is de portee van Andrades ‘Conclusies’, waarin hij in relatief kort bestek zijn gedachten laat gaan over de verschillende culturele opvattingen van diplomatie. China kende het hiërarchische ‘tribuutsysteem’, waarbij de omringende landen hun plaats kenden, terwijl de Britten, moderner, uitgingen van gelijkwaardigheid. Bij het Chinese of bredere Oost-Aziatische systeem paste een nadruk op het sociale en ‘performatieve’ karakter van internationale betrekkingen, waarvoor Andrade bij een groeiend aantal wetenschappers begrip ziet.

Toch kun je je afvragen of het alleen daardoor botste met de Britten. Er lijkt veel voor te zeggen dat de Chinese keizer in de afwijzing van zijn eeuwenoude ritueel ook de agressiviteit terugzag waarmee de Britten destijds hun overzeese imperium uitbreidden. Had hij wat dat betreft niet minder te vrezen van de Hollanders? Andrade laat immers ook overtuigend zien dat de keizer er wel degelijk genoegen in schiep om met exotische buitenlanders kennis te maken.

Dat laatste is overigens terecht een van de vooroordelen die Andrade ontzenuwt, naast de andere kanttekeningen die hij plaatst bij het even hardnekkige als invloedrijke Britse ‘narratief’. En zo zien we, met de Amerikaanse Andrade, dus zeker meer in dit unieke stukje Nederlandse geschiedenis.

Tonio Andrade: Het laatste gezantschap. Uit het Engels vertaald door Robert Vernooy. Querido Facto; 478 pagina’s; € 29,99.

null Beeld Querido Facto
Beeld Querido Facto
Meer over