BoekrecensieHonderd hoge dagen

Tomas Lieske roept interessante vragen op over jonge meisjes en oudere mannen ★★★☆☆

Beeld Typex

Mannen kunnen niet langer ‘gewoon’ viezeriken zijn, ook niet in de literatuur. Toch? De nieuwe roman van Tomas Lieske roept interessante gedachten op over de veranderende kijk op oudere mannen en jonge vrouwen.  

Beethoven ruimde nooit zijn kamer op. Sterker nog: de ruimte waar hij componeerde was een zwijnenstal, vol rondslingerende vettige papieren, lege flessen, stukken leverkaas en andere etensresten – althans, als we de verhalen van kraanmachinist Luuk Hefter moeten geloven. Luuk heeft iets met Beethoven, zeker sinds de componist hem een bezoekje heeft gebracht op honderd meter hoogte, in de cabine van zijn kraan in de Arabische woestijn.

Typisch Tomas Lieske (1943), zoiets onmogelijks. In zijn romans is het onwerkelijke vaak gelijkwaardig aan het werkelijke en wordt het ook als zodanig beschreven. Lieskes oeuvre kenmerkt zich door monter en licht magisch realisme, soms vervlochten met de geschiedenis van tot de verbeelding sprekende historische figuren.

In Honderd hoge dagen is dat dus Beethoven, die een opdracht heeft voor Luuk: ‘Laat de luisteraar weten hoe ik heb moeten worstelen om die muziek zo te krijgen.’ Want de eenzame componist was doof en half blind en had last van buikkrampen, hallucinaties en nachtmerries. En tóch die muziek.

Luuk gaat terug naar Nederland en hernieuwt na jaren het contact met zijn nichtje Mira. Ze is inmiddels 17 en heeft zich – uiteraard – tot een schoonheid ontpopt: donker krullend haar, rode mond, grote ogen – die dingen. Af en toe bijt ze op haar onderlip, ‘wat haar een grappig uiterlijk van ernstig nadenken gaf’, zo registreert Luuk. Let op: het uiterlijk van ernstig nadenken. En dat is blijkbaar grappig: een meisje dat eruitziet alsof ze nadenkt. Luuk is nauwelijks geïnteresseerd in het innerlijk van zijn nichtje, maar des te meer in haar prille lichaam. ‘Alles aan haar vroeg erom aangeraakt te worden, gewogen, herkauwd, belikt, kijken hoe ver het meegaf en waar het ophield.’ Huu!

Ondertussen vertelt Luuk haar verhalen over Beethoven, waarbij hij de meest verheven termen gebruikt: ‘de kern’ van zijn werk, ‘de randen van zijn bewustzijn’, beethoviaanse krachten, ‘spreken in muziek’, enzovoort. Maar in feite gebruikt hij Beethovens opdracht alleen om Mira te paaien. Want zij is wél oprecht gefascineerd door de componist en kan op zijn muziek bijzonder goed dansen. Enkel vanwege haar honger naar Beethoven brengt ze tijd door bij haar oom, die haar alles maar al te graag mansplaint: ‘Je bent op je mooist als ik in de avonduren vertel en jij stil ligt te luisteren.’ Stilliggen, luisteren en mooi zijn – braaf.

Statement

Er zijn talloze voorbeelden van goede literatuur met een viespeuk als hoofdpersoon maar in de huidige tijdgeest is het opvoeren van iemand als Luuk wel een statement. Lieske moet er zijn bedoelingen mee hebben gehad. Dat blijkt in elk geval wel uit de bewuste manier waarop hij Mira neerzet: als een onafhankelijke jonge vrouw die heel goed weet wat ze wel en niet wil. Keer op keer wijst ze haar oom af, al kruipt ze wel bij hem in bed en danst ze voor hem. De gedachte ‘dan vraag je er ook wel een beetje zelf om’ dringt zich haast onvermijdelijk op. Maar voor Mira is haar lichaam niets seksueels. Het is een instrument dat ze gebruikt om mee te dansen. Meer niet. Dat je dat amper kunt geloven, is veelzeggend – je hebt misschien meer met Luuk gemeen dan je hoopt.

Overigens is het wel verdacht dat Mira en Luuk geen echte familie zijn – ze is de dochter van Luuks pleegbroer. Hoe en waarom Luuk in een pleeggezin is terechtgekomen wordt niet verteld, hoe het zijn karakter beïnvloedt ook niet. Het lijkt alsof de schrijver het gegeven alleen heeft bedacht om de boel wat minder incestueus te maken. Alsof het zonder die bloedband toch best kan allemaal.

Hoe dan ook roept de verhouding tussen Mira en Luuk interessante gedachten op over de veranderende kijk op oudere mannen/jonge vrouwen in de maatschappij en daarom ook in de literatuur. Wie meisjes zonder goede reden als lipbijtende Lolita’s afschildert valt moeilijk nog serieus te nemen, en mannen kunnen niet langer ‘gewoon’ viezeriken zijn. Behalve dan Beethoven, die door Lieske wordt geportretteerd als smotsige buurtgek, een asociale stamgast en liefhebber van jonge meisjes. En juist híj leest Luuk de les over Mira: ‘Je hebt alleen maar aan jezelf gedacht. Nooit aan haar toekomst of aan haar geluk. Je weet niet eens wie ze is.’ Ta ta ta taaaa!

Beeld Querido

Tomas Lieske: Honderd hoge dagenQuerido; 276 pagina’s; € 20,99.

Meer over