Toen Van het Reve nog niet De Grote was

Het duurde even voordat de financiering rond was, maar vrijdag verschijnen dan de eerste twee delen van het Verzameld Werk van een der oorspronkelijkste naoorlogse essayisten, Karel van het Reve (1921-1999). In 2011 zal de zevendelige reeks zijn voltooid.

Karel II, pagina één: Een personage landt op Schiphol en gaat op zijn krent zitten, om ‘het gaan en komen der vliegtuigen te observeren’– zoiets kan alleen in een roman van een geboren beschouwer. Daar zijn er meer van. Het genre is nooit in kaart gebracht, terwijl toch heel wat beroepsbespiegelaars zich aan de roman hebben bezondigd: van Conrad Busken Huet en Menno ter Braak tot K.L. Poll, Ton Anbeek en Elsbeth Etty. Zo’n catalogus van mislukkingen, van alleraardigste tot recht meelijwekkende, kan evenmin om Karel van het Reve (1921-1999) heen, die in 1959 een detectiveroman begon met een hoofdpersoon die prompt alle handeling lamlegde.

Sleutelroman
Twee minuten stilte heet de roman van de jonge hoogleraar in de Slavische letterkunde te Leiden. Twee jaar zat Van het Reve pas in het academisch harnas, toen hij er al uit wilde breken met een sleutelroman annex moordverhaal. Met dat boek, en de daaropvolgende roman Nacht op de kale berg (1961), opent deel 2 van het Verzameld werk, en nu ze daarin worden gevolgd door de essays en columns van Rusland voor beginners (1962) en Siberisch dagboek (1966), winnen de onhandige romanproeven aan betekenis. Als geheel toont dit deel de geboorte van een ongebonden bespiegelaar. Hij maakt zich los van de malle noodzaak om een plot af te werken, en laat zijn gedachten over alles gaan waar zijn blik langer op rust.

In retrospectief maakt dát die romans zo charmant: Karel is nog niet De Grote, maar de Karelische afdwaling en overpeinzing – droogkomisch, gefascineerd door het niet-logische waartoe de mens altijd is geneigd –, die zijn er al volop. De hoofdpersoon in Twee minuten stilte, Lodewijk Prins, ontdekt daar op het dakterras van alles, juist als hij in stilte zijn chocolademelkje nuttigt. Zou hij terstond naar de stad zijn gereisd, dan was zijn oog nooit op een rondslingerend blaadje gevallen, het maandblad De Bibliothecaris, waarin hij leest dat professor Karl Maria van Bever is gestorven. Toevallig zijn eigen chef!

En meteen dwaalt Prins weer af, met een grandioze observatie over de eigenaardige taal van necrologieën in specialistische tijdschriften. Zoiets houdt het verhaal danig op, maar bij deze auteur is dat pure winst, want het moordverhaal (de prof is door een bom ontploft, en wel op 4 mei) is slechts een aanleiding om een aantal amusante en satirische opmerkingen te plaatsen. Die zijn prachtig: over fellow-travelers, communisten, clichés die ooit voor het eerst moeten zijn gebruikt (wie is begonnen met te zeggen ‘Wie beschrijft haar verbazing, toen...’?), en het gebrek aan grootsheid van onze academische behuizingen (‘Het Instituut dan is gevestigd in een oud koopmanshuis, dat, zoals bij universitaire instellingen in Nederland gebruikelijk is, zowel wat de ruimte als de indeling betreft ongeschikt is om het Instituut te herbergen’).

Toppunt
Herkenbaar toppunt is het cortège der hooggeleerden bij een promotie: ‘zeer grote domheid las men op vele gezichten, onzegbaar leed en onuitwisbare schande, op weer andere een combinatie van deze dingen. Vele ziektes ook en lichaamsgebreken waren, naar het leek, maar al te duidelijk. Bultenaars, scheefgegroeiden en kreupelen waren talrijker dan men in een verzameling volwassen mannen zou vermoeden, en het aantal zo op het oog kindse grijsaards bedroeg meer dan twintig procent. Zoals altijd kwam een kleine, zwarte dwerg als laatste binnen. Hij moest draven om de langzaam voortstrompelende stoet bij te houden.’

In 1959 lachte de verse professor Van het Reve iedereen in zijn omgeving uit, terwijl hij deed of hij een detective schreef. Bovendien zien we Prins een bezoek brengen aan een collega, die met zijn katten hoog in de Galerij aan het Frederiksplein woont – op die plek (Galerij 14 boven) had Karels beroemde broer en poezenvriend Gerard tussen 1949 en 1956 gewoond. Dus wanneer de collega Prins verwelkomt met ‘Geleerde vriend. Hoe gaat het,’ is het net of we niet hém maar de jongere broer van Karel voor ons zien, die hem ironisch placht aan te duiden met de ‘Geleerde Broer’.

Fenomenologie
Alles wat niks met het verhaal te maken heeft, maakt Twee minuten stilte waardevol, zoals ook Nacht op de kale berg uitblinkt door een ingelaste fenomenologie van predikers in het openbaar: ‘Zij hebben de geveinsdheid van acteurs, maar missen de artistieke bezetenheid die ons de kunstenaar doet vergeven dat hij iets zegt wat hij eigenlijk niet meent.’ Ook daar zien we een familietrek: de hoofdstuktitel ‘Wie gaat er mee kamperen’ doet sterk denken aan Gerards verhaal ‘Zelf Kamperen’ (uit Zondagmorgen zonder Zorgen, 1995).

Zoals Prins op zeker moment zegt: die moordenaar, die zou vroeger of later vast door de recherche worden gevonden. Zijn eigen rol ziet Prins ‘vooral als die van de theoretische bespiegelaar, die zich niet door strenge discipline, maar meer door de gril van het ogenblik laat leiden.’ Een definitie van de essayist. Eigenlijk erkent Van het Reve hier zijn falen als romancier – en dat is, binnen het officieuze genre romans-van-beschouwers tamelijk zeldzaam. Karel beschouwde ook zichzelf.

De essays die op de romans volgen bewijzen het: in het vervolg zou hij het avontuur in het redeneren zoeken en vinden. Met een strak gezicht,waarachter humor huisde, demonteerde hij in de jaren die zouden komen aan de lopende band talloze gemeenplaatsen, net zo lang tot niets meer vanzelf sprak. Daardoor breidde hij zijn werkterrein optimaal uit – want wanneer niets meer vanzelfsprekend is, kan alles voor een beschouwing in aanmerking komen.

Koude Oorlog
Rusland, waar hij zoveel van wist, werd een voorbeeld, van hoe mensen zichzelf en elkaar een rad voor ogen kunnen draaien. Het communisme ten tijde van de Koude Oorlog werd onder zijn pen een vreeswekkende maar ook amusante kermis, die liet zien wat machthebbers uit de kast halen om de waarheid te omzeilen dat de bevolking werd geknecht en misleid.

Broodnuchter de gekte te lijf, die houding groeide uit tot een program waarop Van het Reve het oeuvre bouwde dat nu een glansrijke uitvoering krijgt.

Toergenjev deed alles wat schrijfdocenten verbieden, zegt Karel in Rusland voor beginners, en daarom was hij vrij en misschien wel de beste schrijver van zijn tijd. En in een ander stuk lanceert hij een stelling die het hart van hordes vakbroeders moet hebben geraakt: ‘Het is trouwens merkwaardig hoe bijna allen die over esthetische problemen schrijven totaal ongevoelig blijken te zijn voor de gebreken van hun eigen stijl.’ Het slinkse zit ’m in de terloopsheid van de eerste woorden.

‘Het is trouwens merkwaardig’: die aanhef past boven al zijn stukken. Een motto als een zelfportret.

Meer over