Titus BrandsmA

De aardse smarten van een zalige in de dop

Titus Brandsma (1881-1942) geniet wereldwijd bekendheid als de Friese pater die moedig verzet bood tegen het nationaal-socialisme en dit met de dood in Dachau moest bekopen. In 1985 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard en intussen is het wachten op een wonder dat de weg vrijmaakt voor zijn heiligverklaring.

Uit vroege biografieën komt Brandsma naar voren als iemand die al vanaf zijn vroegste jeugd voorbestemd was tot grootse daden in naam van het geloof. Ze zijn doorgaans geschreven door mensen die Brandsma zelf hebben gekend en nogal eens moeite hebben distantie te betrachten. Vaak druipt de verering van de pagina's.

Zo schreef Brocardus Meijer in 1951 dat Anno Sjoerd, zoals Brandsma voor zijn priesterwijding heette, zich 'reeds in zijn prille jeugd met hart en ziel op al die christelijke deugden heeft toegelegd, waarvoor een kind van zijn leeftijd zich maar kan openstellen'. Zijn karakter kenmerkte zich al vroeg door godsdienstzin, zelfverloochening, trouw en oprechtheid, om slechts enkele van die deugden te noemen. Een heilige in de dop dus.

Vanuit dat perspectief bezien is de verdere levensloop van Brandsma niet verwonderlijk. Zijn vroomheid, die kenmerkend was voor het gezin waarin hij opgroeide, deed hem besluiten om priester te worden. Na het gymnasium meldde hij zich aan bij de karmelietenorde en in 1905 werd hij tot priester gewijd.

Brandsma leverde een belangrijke bijdrage aan de emancipatie van het katholieke volksdeel. De lijst van verenigingen, tijdschriften en kranten waarbij hij betrokken was, is indrukwekkend. Hij ijverde voor katholieke persorganen, katholiek onderwijs, de katholieke Friese beweging, de katholieke Esperantobeweging en een katholieke encyclopedie. Bovendien werd Brandsma in 1923 aangesteld als hoogleraar aan de nieuwe Rooms-Katholieke Universiteit Nijmegen. Godfried Bomans, enige tijd student bij Brandsma, schreef over de talrijke bezigheden van de professor: 'Titus Brandsma was, zoals gewoonlijk heiligen zijn, een slecht nee-zegger.'

Een duidelijk nee liet Brandsma wel horen tegenover het nationaal-socialisme in het naburige Duitsland. In reactie op de Neurenbergse rassenwetten die in 1935 werden aangenomen, sloot hij zich aan bij het Comité van Bijzondere Joodse Belangen en noemde de wetten 'een daad van lafheid'. Hij maakte bovendien deel uit van het Comité van Waakzaamheid, totdat de katholieke deelnemers door aartsbisschop De Jong werden opgeroepen om zich terug te trekken. Aanleiding was de commotie die de samenwerking met communisten onder katholieken veroorzaakte.

In 1942 kwam Brandsma in botsing met de bezetter. Als bisschoppelijk adviseur in perszaken maakte de pater in januari een tocht langs katholieke krantenredacties om ze te melden dat het plaatsen van NSB-berichten uit den boze was. Kort daarop werd Brandsma opgepakt door de Sicherheitsdienst en overgebracht naar het Oranjehotel, de gevangenis in Scheveningen. Via Kamp Amersfoort en de gevangenis van Kleef eindigde Brandsma in het concentratiekamp Dachau, waar hij in juli van dat jaar stierf.

Voor wie de levensloop van Brandsma kent, is het moeilijk geen bewondering te hebben voor zijn moedige houding en geesteskracht in met name de laatste fase van zijn leven. Toch heeft juist die bewondering jarenlang een waarheidsgetrouw beeld van de pater in de weg gestaan. Ton Crijnen lukt het daar verandering in te brengen. Zijn nieuwe biografie heet Titus Brandsma - De man achter de mythe en is geslaagd. We gaan van Brandsma houden, juist omdat behalve zijn deugden ook zijn zwakke kanten worden belicht. Zijn menselijkheid, niet zijn zaligheid, wordt erin benadrukt.

Een mooi voorbeeld is de eigenschap van pater Titus om in talrijke activiteiten zijn energie te steken, zelfs als dit ten koste van de eigen zwakke gezondheid ging. Waar Bomans deze neiging nog omschreef als typisch heilig, laat Crijnen zien dat er een bepaalde bemoeizucht aan ten grondslag lag: Brand

sma had graag een vinger in de pap.

Zijn nevenactiviteiten kwamen hem op kritiek van zijn collega-hoogleraren te staan. Aan zijn wetenschappelijke werk kwam hij nauwelijks toe. Ook zijn uitgever Paul Brand beklaagde zich bij hem: 'Wat moet ik doen? Ik voor mij zie van een Hollandse vertaling (van de werken van Teresa van Ávila) door U niet veel komen, daar U ook weer Uw laatste beloften in Uw laatste schrijven geuit, niet hebt kunnen gestand doen.'

Belangrijker nog dan de belichting van Brandsma's onhebbelijkheden is de blik die Crijnen werpt op de opvattingen en keuzes van de man die op zo'n voetstuk is geplaatst. Zo had Titus Brandsma geen hoge pet op van de democratie en gaf hij de voorkeur aan een autoritair staatsbestel. Hij gruwde van het communisme en zag het nationaal-socialisme aanvankelijk als een milde vorm daarvan, dat links de wind uit de zeilen zou nemen.

In 1920 schreef hij: 'Het socialisme heeft maar één overtuiging, te weten: dat het Katholicisme zijn grootste vijand is.' Het is dan ook niet verwonderlijk dat de sympathie van de pater tijdens de Spaanse Burgeroorlog bij Franco lag.

Zijn visie hierop veranderde. Aan het einde van de jaren dertig stelde Brandsma dat het nationaal-socialisme de grootste vijand van het katholicisme was. Tussen de christelijke naastenliefde en het recht van de sterkste bestond een onoverbrugbare kloof. Het is daarom des te onbegrijpelijker dat Brandsma een aantal keuzes gemaakt heeft waar zijn biograaf terecht vraagtekens bij plaatst.

Waarom, bijvoorbeeld, liet Brandsma beschamende, antisemitische passages passeren in de katholieke encyclopedie? Waarom werd hij lid van de Nederlandse Unie, een partij die ijverde voor een 'organische samenleving' en een plaats voor Nederland in het door Duitsland gedomineerde Europa? En waarom ondertekende Brandsma in oktober 1940 de beruchte Ariërverklaring? De schrijver roept de vragen op, maar slaagt er niet in ze bevredigend te beantwoorden.

Het blijft gissen naar de beweegredenen van pater Titus. Crijnen voerde voor zijn biografie een omvangrijk archiefonderzoek uit. Het heeft in dit opzicht weinig tot niets opgeleverd. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat we ook in de toekomst van antwoorden verstoken zullen blijven.

Ook in deze nieuwe biografie leren we Brandsma dus niet echt kennen. Crijnen noemt hem een 'gesloten man' die niemand toestond, zelfs zijn vrienden niet, om 'werkelijk in de ziel te kijken'. De teksten en toespraken van Brandsma, waar Crijnen uit citeert, waren vaak plechtstatig, droog of devoot. Af en toe vangt de lezer een glimp op van zijn karakter, bijvoorbeeld wanneer de pater de vraag van een vrouw hoe zij de volmaaktheid kan bereiken, relativerend beantwoordt: 'Ikzelf volg onze Lieve Heer als een kind en huppel Jezus maar na.'

Een uitzondering hierop vormen de dagboekaantekeningen die Brandsma in zijn cel in Scheveningen maakte. Hieruit komt een man naar voren die gelaten zijn lot ondergaat. Zo schreef hij: 'Ik ben heel rustig, gelukkig en tevreden, en pas me maar aan. Ik houd het hier best uit.' Ver van de mensen, maar dicht bij zijn God bejubelde hij de beate solitude, de zalige eenzaamheid. Zijn humor en zelfrelativering behield hij in Scheveningen. Over de verplichte gymnastiek meldde hij: '(...) Af en toe moeten we in zekere ritmische beweging de armen vooruit en wijduit spreiden, dan weer de handen op de heupen houden, enfin, ik ken die bewegingen zo niet, en doe maar wat mee.'

Veel moeilijker had Brandsma het in de gevangenis van Kleef, waar hij zich realiseerde dat het onvermijdelijke volgende station Dachau was. Het besef dat hij het daar met zijn broze fysieke gesteldheid niet lang zou uithouden, deed hem in een geestelijke crisis belanden. Ook hier kunnen we slechts gissen naar de aard van die inzinking en naar de wijze waarop hij zich daaruit wist te bevrijden. Waarschijnlijk geldt voor Brandsma als voor geen ander: 'Heer, die mij ziet zoals ik ben, die

Meer over