Reportage

Tipje van de sluier van het vernieuwde Amsterdam Museum, nu nog een doolhof door 25 panden

Een betere ingang, minder kruip-door-sluip-door: de aaneengeschakelde gebouwen van het Amsterdam Museum moeten júíst de verhalen van de stad gaan vertellen, aldus directeur Judikje Kiers.

Het Amsterdam Museum in vogelvluchtperspectief. Beeld Neutelings Riedijk Architecten
Het Amsterdam Museum in vogelvluchtperspectief.Beeld Neutelings Riedijk Architecten

‘Kijk, dit is waarom we gaan verbouwen’, zegt Judikje Kiers, directeur van het Amsterdam Museum, terwijl ze – trapje op, trapje af – voorgaat door het gebouwencomplex dat ooit een klooster was, later burgerweeshuis en sinds 1975 het museum over de geschiedenis van de stad. ‘Er is geen logische route, je weet niet waar je bent.’ Ze wijst op een wand met schilderijen. ‘Dat is de gevel aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Alle ramen zijn dichtgezet met voorzetwanden om kunst te kunnen ophangen. Doordat je niet kunt binnenkijken, zien passanten niet dat hier een museum zit.’ In een hoek trekt ze een deur open en gaat ze via een opstapje de statige Regentenkamer binnen, met fraai gedecoreerde wanden en plafonds. ‘Veel bezoekers lopen hier straal voorbij, en met een rolstoel kom je er niet in.’

Onvindbaar

Onvindbaar, ontoegankelijk, ongelijkvloers – het zijn kwesties waar meer musea mee worstelen. Het Haags Historisch Museum speelt met de gedachte om te renoveren, het Haarlemse Frans Halsmuseum heeft al een ontwerp liggen waarvoor het geld echter ontbreekt, het Amsterdamse Museum Ons’ Lieve Heer op Solder verbouwde tussen 2009 en 2015; Kiers was daar destijds directeur.

Wat deze musea met elkaar gemeen hebben, is dat ze gevestigd zijn in gebouwen die daar oorspronkelijk niet voor ontworpen zijn. Ze missen moderne expositieruimtes en voorzieningen als een café en educatieruimte, en door veelvuldige verbouwingen is een kruip-door-sluip-door-structuur ontstaan. Die z’n charme heeft, maar het Amsterdam Museum museaal ‘heel ongeschikt’ maakt.

Zoek een nieuw onderkomen, luidde het advies van de Kunstraad dat er lag toen Kiers in 2016 Paul Spies opvolgde als directeur. Maar op verkenning door het complex en zijn lange geschiedenis, begon ze te twijfelen. Ze toont een boekwerk over het Burgerweeshuis met foto’s van de verbouwing eind jaren zestig waarop een deel van het complex in puin ligt. ‘Het opende mijn ogen: als dit veertig jaar geleden kon, dan moet het nu ook mogelijk zijn om het museum naar de toekomst te brengen.’

Ga er maar aan staan: een rijksmonument, hartje binnenstad, bestaand uit 25 panden rond twee binnenhoven, dat geschikt gemaakt moet worden voor een collectie van zo’n 100 duizend zeer uiteenlopende voorwerpen, van 6 meter brede Schuttersstukken (die bij gebrek aan ruimte nu in de Hermitage hangen) tot draaiorgels en zilverwerk.

Langsdoorsnede over de stadshal met erboven de grote zaal. Rechtsonder is het gewelf zichtbaar, waar het museale parcours begint. Beeld Neutelings Riedijk Architecten
Langsdoorsnede over de stadshal met erboven de grote zaal. Rechtsonder is het gewelf zichtbaar, waar het museale parcours begint.Beeld Neutelings Riedijk Architecten

Jongenspoort en meisjespoort

Architectenbureau Neutelings Riedijk won de ontwerpprijsvraag in 2017 met een plan dat voortbouwt op de bestaande structuur. De bouwdelen waar in de jaren zeventig is ingegrepen, worden verbouwd om de route door het museum te verbeteren, de zichtbaarheid naar de stad te vergroten en grote, moderne expositieruimtes te maken.

Naast de jongenspoort aan de Kalverstraat en de meisjespoort aan de Sint Luciënsteeg komen er ingangen aan de Nieuwezijds Voorburgwal en de Gedempte Begijnesloot, zodat het complex straks vanaf vier kanten toegankelijk is. De entree van het museum bevindt zich in de nieuwe Stadszaal in het hart van het complex; deze publieke binnenruimte wordt ondergronds gekoppeld aan een hedendaags nieuw hoekpand aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Van daaruit ga je met de trap of lift naar de eerste verdieping, waar de – gelijkvloerse - rondgang door het museum begint, met als hoogtepunt de Grote Zaal, voorzien van een groen dak met uitkijkpunt over de stad.

Doordat er straks voldoende ophangruimte is, kunnen de ramen van de oude zalen weer open; deze ruimtes worden in oude glorie hersteld. ‘Je gaat zien dat de panden afzonderlijk zijn gebouwd’, legt architect Annette van Baren uit bij de maquette vol puntdaken. ‘Er was een bakker, een brouwerij, een timmerschool, een slaapzaal; zo ontstaat een beeld van het leven dat zich vroeger rond de hoven afspeelde.’

Deze aanpak is vergelijkbaar met de recente verbouwing van De Lakenhal in Leiden, waarbij het museumgebouw als ‘collectiestuk nul’ is benaderd en benut wordt om de verhalen van de stad te vertellen.

Kiers wil daaraan activiteiten toevoegen, van programma’s voor schoolklassen tot een open atelier. Het museum trekt jaarlijks 200 duizend bezoekers, met name uit het buitenland. Nog geen 20 procent is Amsterdammer; die mijdt toeristische plekken liever. ‘Juist voor hun willen we veel meer doen’, zegt Kiers, ‘en dat kan hier, met die fantastische binnenplaatsen.’

De gemeente, eigenaar van het gebouw, stemde eind vorig jaar in met de investering van 56,2 miljoen euro. Naar verwachting zal het nieuwe Amsterdam Museum openen in 2025, ter gelegenheid van de 750ste verjaardag van de stad.

Inweven

Het Rotterdamse architectenbureau Neutelings Riedijk is gespecialiseerd in het (ver)bouwen van culturele complexen; het bureau ontwierp onder andere het Museum aan de Stroom (MAS) in Antwerpen en de verbouwing van museum Naturalis in Leiden, waar een nieuw, spectaculair tentoonstellingsgebouw naast het bestaande, gerenoveerde pand is gebouwd. Het plan voor het Het Nieuwe Amsterdam Museum is verwant aan hun ontwerp voor het Stadhuiskwartier in Deventer, waar een nieuw stadskantoor is ‘ingeweven’ in de middeleeuwse stadsstructuur met zijn stegen en hoven.

Meer over