Tijdsbeeld

Kon je halverwege de negentiende eeuw nog geen spontane foto maken, de fotograaf van nu kent nauwelijks beperkingen. In een fractie van een seconde schiet hij een filmpje vol, of hij neemt uren de tijd voor een enkele opname....

door Arno Haijtema

OP DE KLOK in het centrum van de foto zijn de wijzers domweg verdwenen. Opgelost. Door een extreem lange belichtingstijd zijn zij onzichtbaar geworden. In één oogopslag wordt duidelijk dat de fotografie zich niet slaafs wenst neer te leggen bij het verstrijken van de tijd.

De Cubaanse Amerikaan Abelardo Morell maakte de foto in 1999 in een hotel in Boston. Die lange belichtingstijd, een hele dag, had hij nodig om een foto te maken volgens het principe van de camera obscura, de voorloper van het fototoestel. Zijn hotelkamer fungeerde als de donkere kamer. De ramen waren afgeplakt, en Morell liet het daglicht door een piepklein gat naar binnen vallen. Zo tekende zich op de muur van de kamer de straat af waaraan het hotel is gelegen. Voor het menselijk oog was het straatbeeld op de muur niet waar te nemen, voor Morells eindeloos geduldige camera wel.

En zo zien we een stukje skyline van Boston - volgens de wetten van de camera obscura 180 graden gekanteld - gespiegeld op de muur met de klok zonder wijzers. Al met al is het een magisch beeld, dat rebelleert tegen de conventionele manier waarop de mens de wereld bekijkt: met de hemel boven in beeld en een klok die laat zien hoe laat het is. Zouden we vanaf het balkon de straat in kijken, dan zien we auto's rijden. Maar Morells camera obscura, die een hele dag heeft gestaard, merkt die beweging niet op.

Het Victoria & Albert Museum in Londen wijdt een spannende expositie aan de verhouding tussen de fotografie en het verstrijken van de tijd. Onder de titel Breathless, Time and Photography laat het museum zien hoe fotografen hun camera en het wegtikken van de tijd, of juist het indikken ervan, gebruiken om beelden tot stand te brengen die voor het menselijk oog - om wat voor reden dan ook - niet waarneembaar zijn of verborgen blijven.

In de beginjaren van de fotografie nam het maken van een opname nog vele minuten in beslag. De straten op vroege foto's lijken altijd leeg, omdat de paardenkarren, de koetsen, de voetgangers te snel bewogen om zelfs maar een schimmig spoor achter te laten op het negatief. Het straatrumoer loste op in de belichtingstijd. En om scherp, 'onbewogen', op een foto te komen, moest een geportretteerde de stramheid van een dode in acht kunnen nemen. Een spontane foto maken kon halverwege de negentiende eeuw niet.

In 1839, het jaar waarin de fotografie werd uitgevonden, duurde het nog 2400 seconden om - in de buitenlucht, op klaarlichte dag - tot een geslaagde opname te kunnen komen. Maar de techniek verbeterde snel. De introductie van nieuwe chemicaliën en betere lenzen maakte kortere belichtingstijden mogelijk. In 1854 was de vereiste sluitertijd al teruggebracht tot 120 seconden. In 1880 tot 5, in 1910 tot 1/10de, in 1930 tot 1/25ste en in 1960 tot 1/250ste seconde.

De tijd is, dankzij de technische vooruitgang met sprongen tegelijk, uitgegroeid van een kwelgeest voor de fotograaf tot een bondgenoot. Tegen het einde van de negentiende eeuw was de bekorting van de sluitertijd zover gevorderd dat bewegingen die eerder voor het negatief onopgemerkt bleven, er op konden worden gestold. En al snel had de fotografie het waarnemingsvermogen van het menselijk oog overtroffen. Eadweard Muybridge's fotoreeksen van dieren in beweging, zijn baanbrekende ontrafeling in fragmenten van een paard in zwevende galop, zijn in dat opzicht mijlpalen.

De hedendaagse fotograaf kent nauwelijks beperkingen; met zijn motordrive schiet hij in een fractie van een seconde een filmpje vol. Hij beperkt de sluitertijd tot duizendsten, zodat we kunnen zien hoe een kogel een appel doorboort. Of de fotograaf keert, zoals Morell, terug naar de oorsprong van de fotografie en neemt desgewenst een hele dag de tijd voor een enkele opname. De techniek heeft de fotografie vleugels gegeven.

In het V & A wordt de fascinatie van fotografen voor de specifieke mogelijkheden van de camera dan ook veelvuldig geïllustreerd. Zoals met werk van de Amerikaan Andreas Feininger, die beroemd werd met zijn foto's van de skyline van New York, maar eveneens een begaafd technisch fotograaf was. In 1949 legde hij het opstijgen vast van - toen een noviteit - een helikopter. De in het donker oplichtende wieken beschrijven een spiraal naar de hemel.

Nog fascinerender zijn de foto-experimenten van de Amerikaan dr. Harold Eugene Edgerton. Hij fotografeerde al in 1935 het moment waarop een melkdruppel het oppervlak van een plas melk raakt - en de kroon die zich op dat moment vormt gedurende een tiende van een seconde. In dezelfde jaren experimenteerde hij met een camera waarvan de sluiter werd geactiveerd door een microfoon. Zo kon hij de kortstondige, enorme rookontwikkeling zichtbaar maken die ontstaat bij een pistoolschot.

Hoewel Edgerton met wetenschappelijk oogmerk fotografeerde - hij werkte voor het Massachusetts Institute of Technology - hebben zijn foto's ook een abstracte schoonheid. De duizenden loodspetters die van grote hoogte op een metalen bodem vallen (Lead Falling in a Shot Tower, 1936) glinsteren als diamanten.

Toch zijn het niet de foto's waaruit technisch meesterschap spreekt die het meest beklijven. Edgerton was misschien de eerste die de elegant opspattende melkdruppel fotografeerde, de filmers van de Silan-televisiereclame uit de jaren zeventig deden hem vermoedelijk door menigeen op slag vergeten. In het reclamefilmpje is een spetterende druppel wasverzachter te zien in slow-motion - nóg indrukwekkender dan een enkel beeld. Zoals Edgertons foto van een Olympisch kampioen schoonspringen in verschillende stadia van een duik niet meer kan concurreren met de beelden die iedere tv-kijker van sportmanifestaties krijgt voorgeschoteld.

De foto's die werkelijk tot de verbeelding spreken zijn die waarbij kunstenaars het verstrijken van de tijd op een minder technische, meer poëtische manier benaderen. De Amerikaan Nicholas Nixon portretteerde jaarlijks de zusjes Brown. Het zijn, door de kleren die ze dragen en door de getoonde haardracht, beelden van de mode en van de tijd waarin ze zijn ontstaan. Bovenal zijn het getuigenissen van het verouderingsproces - het vergrijzen van het haar, de rimpels in het gezicht. Nixons foto's zijn merkwaardig intiem, omdat het verglijden van hun jaren er zo meedogenloos mee wordt geïllustreerd.

De Amerikaan Mark Klett deed iets vergelijkbaars, maar concentreerde zich, in plaats van op mensen, op een heuvellandschap in Idaho. In 1979 maakte hij een panorama vanuit een grot. In de coulissen van het landschap bevindt zich een auto, met op de motorkap een langharige man (vermoedelijk), in een T-shirt met lange mouwen. Twintig jaar later zitten er op dezelfde plek een paar mannen aan een picknicktafel, en kijkt een man in korte broek en met een baseballpet (vermoedelijk dezelfde man die eerst op de auto zat) naar de foto uit 1979. Het landschap is volmaakt onveranderd - een fijne relativering van de menselijke invloed op aarde.

De beelden waarin de aandacht zich richt op menselijke individuen zijn veruit het roerendst, juist omdat de mens weerloos is tegen het verstrijken van de tijd. De Duitse Bettina von Zwehl portretteert mensen die hun adem inhouden. Pas als ze negentig seconden geen lucht hebben gehad, drukt Von Zwehl af. Het blijkt een simpele, uiterst effectieve manier om te zorgen dat de geportretterden elk decorum laten varen. Met rood aangelopen wangen en wijd opengesperde ogen wachten ze op het bevrijdende moment dat ze zuurstof in de longen mogen binnenlaten.

Van de Nederlandse fotografe Rineke Dijkstra is een van de foto's te zien die ze maakte van jonge moeders. Het tijdselement zit in Tecla in de korte periode die verstreek sinds de bevalling. Tegen een kale muur poseert de naakte moeder met de baby in haar armen. Een straaltje bloed sijpelt langs de binnenkant van een been. De blik van de moeder verraadt veel van de zojuist geleverde inspanning. Het is het tegenovergestelde van de clichéopvatting die wil dat jonge moeders gehuld zijn in een roze wolk van geluk.

Het tijdselement op Dijkstra's foto is ondergeschikt aan andere factoren die dit beeld bijzonder maken - het vertrouwen dat Dijkstra heeft weten te winnen, haar intense belangstelling voor de vrouwen en het vrijwel negeren van de baby. En bij meer van dergelijke indrukwekkende foto's blijkt de factor tijd slechts één onderscheidend element te zijn.

Het geldt voor de melancholieke interieurfoto's van Andrew Bush van een oud landhuis waarin de grandeur van een koloniaal verleden - chique meubels, schilderijen, oude boeken, inheemse trofeeën- ten prooi valt aan de vergetelheid. Naar de reden van het verval - kan de hoogbejaarde eigenaar het beheer niet meer aan, kunnen erfgenamen niet tot een boedeldeling komen? - blijft het gissen. En het geldt ook voor de platinumprint (een bijna eeuwig houdbare foto-afdruk) van een ogenschijnlijk tientallen jaren beduimelde speelkaart, waarmee Irving Penn in 1975 een icoon maakte voor de spelende en gokkende mensheid.

Soms lukt het een fotograaf om de doden bijna tot leven te brengen, zoals de Fin Jorma Puranen, die in 1992 de verdwenen nomaden van Lapland een denkbeeldige thuiskomst bereidde. In de negentiende eeuw maakte een Franse expeditie foto's van de rendierherders. Puranen plaatste die op doorzichtig materiaal afgedrukte portretten in een cirkeltje in de sneeuw. Iets boven het hart van de cirkel hing hij een lampje, zodat de silhouetten van de herders over de sneeuw glijden, als dolende geesten.

Een heel enkele keer slaagt een fotograaf erin om een beeld onsterfelijk te maken - en daarmee definitief te zegenvieren over de tijd. De Fransman Jacques-Henri Lartigue lukte het in 1905, met Mijn nicht Bichonnade. Een jonge vrouw rent in lange rok met riskante reuzensprongen de trap af van een statig huis, naar de tuin. Haar rennen is vliegen en haar rok is vleugel geworden. Haar fysieke aanwezigheid, en daarmee haar sterfelijkheid, is een en al werveling. Verbazingwekkend, zó veel leven in eentiende seconde.

Meer over