Thomése's mondje is van een ander

Maar die lijkt helemaal niet, krijgt Siegfried Woldhek (1951) wel te horen als hij een politicus, schrijver of sporter heeft geportretteerd....

Daar wil de tekenaar zelf iets over kwijt, achterin het boek, dat is verschenen ter gelegenheid van een expositie in het Rotterdamse museum Het Schielandshuis (150 tekeningen, gekozen uit de 500 Woldheks die in het bezit zijn van de Atlas Van Stolk, een prentenverzameling en beeldbank van de Nederlandse geschiedenis). Mensen veranderen namelijk nog wel eens, door operaties of de tand des tijds, en mensen hebben vaak verschillende gezichten. En daar komt nog bij: veel gezichten hebben een paar karakteristieke trekken, maar er bestaan ook mensen die niets eigens bezitten. ‘Mensen zonder gezicht. Gerrit Zalm is daarvan een treffend voorbeeld.’

Dat is een dodelijke opmerking, maar ook een zwaktebod: de Zalmen van Woldhek, vijf stuks, lijken geen van alle, en dat zou de schuld van de oud-minister zelf zijn? Die heeft er toch op los gegrimast in de jaren dat hij veel in beeld kwam. Het is misschien niet leuk, maar zou eerlijker zijn wanneer Woldhek erkende dat het hém gewoon niet altijd lukt. Er staat bijvoorbeeld een prinses Máxima in zijn boek die terecht desperaat lacht, het haar van zijn P.F. Thomése is goed maar dat mondje is van iemand anders, en zijn Guus Hiddink zweeft ergens tussen Jacques Tichelaar, Henk Vonhoff en een gorilla in.

Maar dát kan de bedoeling zijn geweest. Want Woldhek wil niet alleen dat het lijkt, hij doet ook iets met zijn hoofden, waardoor de grens tussen portret en karikatuur niet altijd scherp te trekken is. Mulisch als prima donna blijft goed, Remco Campert als immer sierlijke balletdanser ook, evenals dichter Kees Ouwens die als een ernstige reiger over het Hollandse landschap uitkijkt.

Droevige gedachte: alleen nog voortbestaan als een Woldhekje, omdat je zelf zo goed als vergeten bent. Dat dacht ik bij het kijken naar Wim van Eekelen, Koos Rietkerk, Pam Emmerik en Nanne Tepper.

Meer over