Theater wordt tot tekstuele verhandeling over tranen

History of Tears staat geheel in het teken van druppels, namelijk tranen, zweet en urine: het lichaamsvocht dat we als gezouten restmateriaal vergieten en dat geen potentieel leven in zich bergt (in tegenstelling tot sperma)....

Niets minder dan de geschiedenis van de tranen wil Fabre vertellen. En dus begint hij bij het begin. Want als we onze eerste levensadem gebruiken om te huilen, moet dit van existentieel belang zijn: ik huil dus ik ben.

Direct na een harp-ouverture vangt het krijsen aan. Zeven volwassen baby`s huilen hun geboorteschreeuw. Ze stoppen pas als ze wiegend worden opgetild door troostende collega`s. Maar laten die los, dan begint het gejammer opnieuw, totdat het in een kussen wordt gesmoord.

Zoals vaak bij Fabre gaat deze scène langer door dan hebbelijk is. Maar in plaats van indringend wordt het dit keer irritant. De zuigelingen-imitatie oogt nogal simpel: met spartelende voetjes en duim in de mond. Dit manco van een te platte verbeelding kleeft helaas vaker aan de honderd minuten durende voorstelling.

Van iemand die decennialang wereldwijd wordt geroemd om zijn sterk gelaagde beeldtaal - zowel in zijn werk als beeldend kunstenaar als op toneel - verwacht je geen donder en bliksem in de vorm van flitslicht en paukenslagen. Laat staan dat hij dansers van schrik laat rondrennen en piesend van angst hun benen laat samenpersen.

Af en toe schiet hij gelukkig wel ouderwets raak, als de dansers zich bijvoorbeeld ontdoen van hun witte, met zakdoeken verlengde mouwen. Eén voor één omhullen ze hun naakte lijf met glazen kelken: een vaas over het hoofd, een bokaal in de nek, een glas tussen de benen. Klaar om met dit even glasharde als kwetsbare pantser naast hun eigen lichaamsvocht ook alle tranen uit de hemel op te vangen.

Vaker echter dan in beeld spreekt Fabre in History of Tears in tekst. Een oude man in gerafelde bontjas noemt zich de ridder van de wanhoop, die ten strijde trekt tegen de sluiswachters van deze wereld. Zij hebben het lichaam eeuwenlang uitgewrongen tot een geurloze droogte resteerde. Hij is juist trots op zijn zweet, zijn pis, zijn tranen en wil het vochtige lichaam vieren. In taal, want voortdurend declameert hij zijn manifest in het Frans (met Nederlandse boventiteling).

Om hem heen cirkelt een verwaarloosde mensenhond, die net als de Griekse filosoof Diogenes naar een echt mens zoekt, niet naar al die slappe aftreksels om hem heen. Al wat hij heeft, is een regenton. Dolblij wentelt hij zich door het plasje, van een als hond urinerende danseres. Op toneel plassen, daar schrikken de dansers van Fabre niet meer voor terug. Zoals hij zelf al jarenlang tekeningen maakt met zijn eigen bloed en tranen.

Hoog boven dit alles toornt actrice Katrien Bruyneel, die continu een dweil uitwringt, volgezogen met haar tranen. Zij verbeeldt ongevoelige materie: een rots die zouteloze tranen plengt. Ooit was ze Maria, die weende om haar gekruisigde Jezus. Daarom spreekt de ridder haar steevast aan met `Wees gegroet, rots`.

Al die woorden verstarren echter te veel tot een verhandeling. De scènes verbleken tot plaatjes bij een uit de cultuurgeschiedenis gesprokkelde tranentheorie. In tegenstelling tot vroeger, toen hij in zijn ode aan de lichaamssappen (het skelet of het bloed van) het menselijk lichaam subliem beeldend centraal stelde, met soms een tekstuele uitleg.

Fabre is te veel `gids van zichzelf` geworden was ook de kritiek in Avignon, waar History of Tears deze zomer onder boegeroep in wereldpremière ging. Als gastconservator van het beroemde festival had hij bovendien allerlei Vlaamse experimentelen uitgenodigd, die eveneens op weinig bijval konden rekenen. Le Figaro noemde de 59ste festivaleditie om die reden zelfs het dieptepunt sinds het ontstaan in 1968. Fabre onthield zich van commentaar, bang zijn eigenzinnigheid als kunstenaar te verliezen.

In History of Tears gedraagt Fabre zich echter meer als een filosoof dan als een artiest. Dat maakt deze productie ondanks het vochtige thema toch tot een behoorlijk droge theatervoorstelling.


Op 6, 7 en 8 januari in Het Muziektheater in Amsterdam.

Meer over