Tentoonstelling Breitner is verrukkelijk tussendoortje

Ze was 16 en had catwalkpotentie. Geesje Kwak, het jonge ding dat vroegtijdig aan haar eind kwam, blijkt onsterfelijk. Dankzij Breitner.

Breitner: Geesje Kwak in rode kimono (1893-1895). Beeld collectie Rose-Marie en Eijk de Mol van Otterloo
Breitner: Geesje Kwak in rode kimono (1893-1895).Beeld collectie Rose-Marie en Eijk de Mol van Otterloo

Tegenover het onthullende detail bestaat de verwarrende variant, het detail dat een schilderij vreemd maakt. Op Breitners 1 Meisje in rode kimono voor een spiegel (1895-1896) staat er zo een. Het betreft de linker onderkant van de openhangende kimono. Die is non-existent, en toch ook niet. Ze lijkt op te lossen in, tja in wat eigenlijk? In de achtergrond? In de vloer? En zou dat bewust zijn gedaan? Dat Breitner er na al dat gezwoeg op die spiegel opeens tabak van had. Dat-ie dacht: wat zou het, als ik een kimono in het luchtledige wil laten verdwijnen dan laat ik hem in het luchtledige verdwijnen? Of gebeurt hier iets anders? Iets wat ik over het hoofd zie?

Mocht u de tentoonstelling in het Rijksmuseum bezoeken, let er dan eens op.

Deze tentoonstelling is een tussendoortje, zij het een verrukkelijk tussendoortje. Zij toont alle bekende meisjes in kimono's, dertien stuks plus een naakt, aangevuld met foto's, schetsen, een aquarel, de schildersezel en schilderskist van de kunstenaar en twee stadsgezichten die inzicht geven in des schilders verfopbouw. Een presentatie zonder historische precedent en een uitgelezen kans om de figuurstukken eens goed te vergelijken. Om te ontdekken ook wat het nu daadwerkelijk om het lijf had, die relatie tussen de schilder en het meisje. Bonnard en Marthe, Stieglitz en O'Keeffe, Araki en katje Chiro, Picasso en op wie hij op dat moment ook maar verliefd was: elk land kent zijn eigen kunstenaar-en-muze-mythen. Is die van George Hendrik Breitner (1857-1923) en zijn 'Japansche vrouwtje' de onze?

Tot dat moment waren het vooral wasvrouwen en trampaarden die zijn belangstelling hadden gewekt. Wier beeltenis hem, eeuwig onzeker als-ie was, kopzorgen gaven. Een schilder van het volk wilde Breitner zijn, een peintre du peuple. En toen waren daar opeens die ceinturen en kimono's.

Breitner: Meisje in kimono. Rijksmuseum, Amsterdam, 20/2 t/m 22/5. Catalogus 20 euro.

Meisje in rode kimono, 1895 Beeld Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag
Meisje in rode kimono, 1895Beeld Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag

Vertekening van de geschiedenis

In zijn fascinatie voor het Oosten stond Breitner niet alleen. Het zal de vertekening van de geschiedenis zijn, maar soms lijkt het of half Nederland eind 19de eeuw in een 'Japansche rock' rondstapte. En 'Japansche avonden' met pantomime organiseerde. Breitner hield van zulke avonden. Ze voedden zijn fantasie. In de oogkliniek waar hij in de jaren tachtig een venerische ziekte uitzat en zich 'een groote klomp van onvervulde verwachtingen' voelde, mocht hij graag mijmeren over te maken zeiltochten naar 'het land van de Mikado', van de Japanse keizer dus.

Die maakte hij niet, maar Japans aandoende schilderijen kwamen er wel. Det begon in 1893, in zijn nieuwe atelier aan de Lauriergracht in Amsterdam, en was mede te danken aan de 16-jarige Geesje Kwak (1877-1899), een van oorsprong Zaanse schippersdochter, thans bekend als het 'kimonomeisje'.

Het was afzien, dat leven van Geesje, zoals vaak voor meisjes uit de arbeidersklasse. Steeds weer andere kamers met vochtplekken op de muur, vervelende baantjes in slecht doorluchte ateliers. Eén van die baantjes behelsde het naaien van hoeden. Daarmee voorzag Geesje in de huur van haar huis. Haar lot was triest. In 1895 emigreerde ze naar Zuid-Afrika, alwaar ze al snel overleed aan tuberculose, 22 jaar oud. Zes jaar eerder kwam ze op straat een man tegen die haar wilde schilderen. Zo begon het.

Een van de karakteristieken van de kimonomeisjes: hun soms onaf ogende staat. Bij sommige exemplaren - Vrouw in Japanse kimono (1895-96), Voor de spiegel (1893-96), Meisje in rode kimono voor een spiegel (1895-96) - is het moeilijk te zeggen of hun ruwe uiterlijk beoogd was of het gevolg van een schilder die zijn interesse verloor. Dat laatste past in het beeld van Breitner zoals geschetst door zijn ateliergenoot Kees Maks: 'Onvoldaanheid, bangheid om af te maken. Verknoeien.'

Catwalk-potentie

Het is niet moeilijk te zien wat Breitner in Geesje zag. Ze had catwalk-potentie. Zware oogleden, mager lijf. Een frêle antilope met flaporen - dat was Geesje Kwak. Conservatoren benadrukken graag haar onschuldige voorkomen, maar dat is verraderlijk. Wie zegt dat La Kwak daadwerkelijk onschuldig was? Wie weet was ze een vals secreet dat Breitners verftubes gapte wanneer de schilder even naar de wc was? Wat vaststaat: dat Breitner haar schilderde en bleef schilderen. Zes jaar lang.

Een meisje, drie kimono's: Kwak, Kwak en Kwak.

Naar het ontstaan van haar beeltenis deden de restauratoren van het Rijksmuseum (in samenwerking met onder meer Museum Boijmans Van Beuningen en Rijksmuseum Twenthe) materiaaltechnisch onderzoek, en eerlijk: van de bevindingen sloeg ik niet steil achterover. Eigenlijk bevestigen ze wat ik al wist of dacht te weten. Dat Breitner naar foto's werkte 2, allereerst, dat hij daarnaast ook schetsjes maakte; dat er onder de verflaag weliswaar geen ondertekening zit, maar soms wel een andere voorstelling. Wat er weer op wijst dat Breitners schilderijen al bouwend ontstonden, meer tastend dan tekenend, in hoekige toetsen, nat in nat. Zo verrees Geesje, jep. Maar waarom steeds opnieuw?

Dat zal ongetwijfeld óók zakelijke redenen hebben gehad. Breitner rook geld. De stukken verkochten relatief goed. Zowel Breitners vaste kunsthandelaar, Van Wisselingh, als de schilder zelf zette ze makkelijk weg. Het had wellicht ook met nieuwsgierigheid van doen. Elke nieuwe beeltenis van Geesje, zo speculeer ik voor het gemak even, bevatte de belofte van een ongekende variant. Eentje met net een andere lichtinval, houding, arrangement van kleed, divan, kamerscherm, kimono. Nieuwsgierigheid naar hoe de wereld er gefotografeerd uitziet, noemde een beroemde Amerikaanse fotograaf ooit zijn drijfveer. Iets dergelijks gold ook voor Breitner.

undefined

null Beeld
Beeld

Gerangschikt op kleur

De vruchten daarvan hangen nu gerangschikt op kleur in het Rijksmuseum. Ga er tussen staan, maak een draai van honderdtachtig graden en Geesje trekt in al haar hoedanigheden voorbij: voor de spiegel, prutsend aan een oorbel, languit op de divan, een bloemetje in de hand, met de armen onder het hoofd of steunend op een elleboog. De herhaling maakt het wat obsessief, wat bezitterig en brengt dat zoete Annie M.G. Schmidt-gedichtje in gedachten:

Ik zou je het liefst in een doosje willen doen
en je bewaren, heel goed bewaren
Dan zou ik je verzekeren voor anderhalf miljoen
en telkens zou ik eventjes het doosje opendoen

null Beeld Stedelijk Museum, Amsterdam
Beeld Stedelijk Museum, Amsterdam

Wat er in het doosje zit, wisselt trouwens nogal van kwaliteit. Vooral wanneer het gezicht - naast de armen welbeschouwd het enige niet-decoratieve deel van de voorstelling - niet goed gelukt is, krijgen de kimonomeisjes iets van opgeprikte vlinders: sierlijk, doch doods. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het stuk waarvoor niet Geesje, maar ene Anna (Geesjes zus wellicht?) model stond. Die had een hoofd als een pannekoek met twee gaten erin, een schril contrast met haar fijn geboetseerde tegenknie. En ook de 3 in 2014 geveilde lezende Geesje in een witte kimono oogt houterig en gekunsteld. Op zulke momenten schildert Breitner zwakke afspiegelingen van de meester in het genre, de Parijse Belg Alfred Stevens. Maar in andere stukken evenaart hij hem.

Dat de Rijksmuseum-Geesje, die met die ogen waarin je een nest kittens kunt verdrinken, en de 4 Stedelijk Museum-Geesje, degeen met het fijnste kopje van allemaal, daartoe behoren was genoegzaam bekend. Een verrassing is 5 Meisje in rode kimono uit 1895 uit de Collectie Rose-Marie en Eijk de Mol van Otterloo. Daarop: een mijmerende Geesje. Ze ligt zijdelings. Haar hoofd rust op een kussen. Daarnaast: een porseleinen popje. Het is een heel afgewogen geheel, een lappendeken van structuren, stoffen, patronen en toch oogt het niet cerebraal; eerder dromerig verstild. Een om te koesteren, deze Geesje. Als het kon, zou je haar in een doosje stoppen.

null Beeld Collectie Cornelis Gerardus 't Hooft
Beeld Collectie Cornelis Gerardus 't Hooft
Meer over