Te fragiel om ooit nog in de vrije natuur te staan

Het Kröller-Müller Museum besteedt aandacht aan de kwetsbaarheid van buitenbeelden. Veel beelden zijn te fragiel...

Van onze verslaggeefster Bieke van der Mark

Wind, regen, bliksem, vorst, vandalisme, vogelpoep. Het leven van sculptuur in de openlucht gaat absoluut niet over rozen. De buitencollectie van het Kröller-Müller Museum vormt bepaald geen uitzondering: Joep van Lieshouts Mobile Home is na een decennium zo lek als een mandje en de 28 meter hoge aluminium Needle Tower van Kenneth Snelson moest opnieuw worden opgebouwd, nadat hij begin dit jaar voor de zoveelste keer aan storm ten prooi was gevallen. En dan is er nog het visitekaartje van de tuin, Martha Pans ‘zwaan’ (Sculpture flottante, Otterlo). De pvc-lagen die in de loop der tijd over elkaar heen zijn aangebracht om het beeld drijvend te houden, hebben het uit balans gebracht. Het dobbert al jaren niet meer naar behoren.

De tentoonstelling Verlangen naar de tuin, beelden uit het depot, op dit moment in het Kröller-Müller Museum te zien, gaat over de kwetsbaarheid van buitenbeelden. Veertig werken die ooit speciaal voor de beeldentuin zijn verworven – maar daar om verschillende redenen niet meer kunnen staan – zijn voor deze tentoonstelling tijdelijk uit het depot gehaald. De expositie geeft nog eens pijnlijk aan hoe gevaarlijk een buitenbestaan kan zijn: slechts acht van de werken kunnen ook echt in het gras worden opgesteld. De overige 32 moeten binnen worden getoond, waar temperatuur en luchtvochtigheid kunnen worden gecontroleerd. Ze zijn te fragiel om ooit nog in de vrije natuur te worden losgelaten.

Aanleiding voor de tentoonstelling is de verschijning van een prachtig uitgegeven vuistdik boek over het ontstaan en de geschiedenis van de beeldentuin van het museum. Hierin komen alle 128 werken die er ooit speciaal voor zijn verworven, uitvoerig aan bod.

De moderne beeldentuin van het Kröller-Müller Museum is sinds zijn aanleg in 1961 uitgegroeid tot een van de grootste van Europa. Het statische karakter van het legaat van Helene Kröller-Müller (1869-1939) dat binnensmuurs wordt bewaard, maakte de buitencollectie tot hét aandachtspunt van het museale verzamelbeleid. Met alle consequenties. ‘Want duurzaamheid was destijds voor zowel kunstenaars als directie geen prioriteit’, zegt Liz Kreijn, hoofd collectie en presentatie van het museum.

Treffend voorbeeld daarvan is Anthony Caro’s Pompadour, een fragiele compositie van vierkante vlakken, krullen en staven. De laklaag van het in 1963 speciaal voor de beeldentuin aangeschafte stalen beeld, bleek niet bestand tegen de wisselende omstandigheden aldaar. Er ontstonden duizenden kleine scheurtjes en roest lag op de loer. Hoewel het beeld met z’n artificiële roze kleur bijna schreeuwt om een opstelling in complementair groen, werd zo’n tien jaar geleden besloten het voorgoed naar binnen te halen. Verdere schade werd zo voorkomen.

‘Het is een typisch voorbeeld van het avant-gardistische aankoopbeleid van de voormalige directeuren van het museum’, zegt Kreijn. ‘Na de Tweede Wereldoorlog werd er veel geëxperimenteerd met nieuwe materialen en technieken waarvan nog niet bekend was of ze zich goed zouden houden.’

Volgens Kreijn is er pas begin jaren negentig meer aandacht voor duurzaamheid ontstaan. Sindsdien wordt elk plan tot aankoop eerst uitvoerig door de technische dienst en de restaurator bestudeerd. Daarnaast wordt de maker ondervraagd over de technische aspecten van het beeld in op video vastgelegde ‘kunstenaarsinterviews’. Kreijn: ‘Een bron van informatie mocht het later moeten worden gerestaureerd’.

Om de binnen getoonde beelden toch wat van buiten mee te geven, worden op een van de wanden live beelden van het omringende natuurlandschap geprojecteerd en mag het daglicht volop de zalen binnenkomen. Deze oplossing biedt voor een aantal van de grotere werken geen soelaas. William Tuckers wankele constructie Porte III reikt zowat tot aan het plafond en je hóórt het werk bijna naar meer lucht snakken.

Van acht depotstukken kon hun ‘verlangen naar de tuin’ daadwerkelijk worden ingewilligd. Deze beelden kunnen een paar maanden in de openlucht nog wel doorstaan. Een suppoost – blauwe dienstfiets in de hand – houdt ze nauwlettend in de gaten. William Tuckers ogenschijnlijk robuuste aluminium Arc, is in het verleden namelijk nogal eens als wip misbruikt.

Vreemd genoeg is verval niet altijd slecht nieuws. Tom Claassens 18 Liggende houten mannen – opgebouwd uit stukken boomstronk – rusten al zes jaar in het bos bij het Kröller-Müller en beginnen weg te rotten. Kreijn: ‘Maar dat is juist onderdeel van het kunstwerk. Langzaam zullen de mannen terugkeren naar de natuur’.

Meer over