Tate toont het redelijke verlangen van kokette Engelsen naar de Rivièra Van nieuwsgierigheid tot venerische aandoeningen

Grand Tour. The Lure of Italy in the Eighteenth Century. Tate Gallery, Londen. Tot en met 4 januari...

Andrew Wilton en Ilaria Bignamini (red.): Grand Tour. The Lure of Italy in the Eighteenth Century. Tate Gallery Publishing, £ 25,-.

Bruce Redford: Venice and the Grand Tour. Yale University Press, £ 20,-.

Grand Tour, de tentoonstelling die op dit ogenblik in de Tate Gallery in Londen is te zien, is een evenement dat alleen maar in Engeland tot stand kon worden gebracht. Het onderwerp is Engels, de methode is Engels, de overrompelende volledigheid, de vanzelfsprekende liefde voor de geschiedenis - zelfs de details waar men zich druk over heeft zitten maken, ademen de vertrouwde sfeer van precisie en ironie. En uiteraard: de meeste voorwerpen zijn afkomstig uit Engelse collecties. Alles bewaren en nooit iets wegdoen, dat is het geheim. Van de Duke of Buccleuch tot Hare Majesteit de Koningin, en van de Graaf van Leicester tot het Fitzwilliam Museum in Cambridge.

De flair waarmee altijd weer systeem in de waanzin kan worden aangebracht, zet de toon van de catalogus. 'Van de figuur met het witte kapsel aan de linkerkant wordt gezegd dat deze de vierde Graaf van Carlisle (1694-1758) zou zijn. Echter, aangezien deze niet voor 1738 of 1739 naar Italië reisde, met zijn zoon Lord Morpeth (1719-1741), lang nadat Lord Boyne naar Engeland was teruggekeerd, lijkt die gedachte onhoudbaar. De jongeman die naar de landkaart wijst wordt gewoonlijk geïdentificeerd als Sir Francis Dashwood, de latere Lord le Despencer (1708-1781). De andere figuur is bij gelegenheid wel met enig voorbehoud geïdentificeerd als Charles Sackville, Graaf van Middlesex (1711-1769), die op zijn vroegst in november 1731 in Venetië moet zijn geweest. Het is echter zeer verleidelijk. . .'

Dat soort proza. Ondertussen geeft de prachtige tentoonstelling op een ontroerende manier een beeld van de achttiende eeuw en van een periode waarin het als een soort misplaatste eigenaardigheid moet zijn beschouwd wanneer men niet, na het bereiken van de volwassenheid, een uitvoerig bezoek aan Italië had afgelegd. Dat was de norm. Nergens mooier, terloopser en onvertaalbaarder geformuleerd dan door de historicus Edward Gibbon, in zijn Memoirs of My Life.

'According to the law of custom, and perhaps of reason, foreign travel completes the education of an English gentleman.' Men is pas Engels, nadat men eerst in het buitenland is geweest. Dat is niet alleen de gewoonte, het is 'misschien' zelfs redelijk te noemen.

Het eigenaardige van de tentoonstelling is dat die uitspraak van Gibbon twee eeuwen later nog steeds van kracht lijkt te zijn. Schoorvoetend wordt hier en daar vastgesteld dat er ook wel een paar Nederlanders, Fransen en Duitsers in Italië zijn geweest, en om Johann Winckelmann kan men ook in Londen niet heen, maar de algemene teneur is toch vooral dat de Britse reiziger een waardevoller, hoogstaander bezoeker van Italië was dan al die andere Europeanen. Het is die houding van When the Riviera Was Ours, gekoppeld aan het onuitroeibare geloof dat het vaderland toch altijd nog weer beter was, die ervoor zorgde dat de Engelsen het Italië van de achttiende eeuw als een ander land zagen, vreemd, katholiek en bijgelovig; gelijkwaardig aan de cultuur van Cambridge en Oxford waren niettemin de overblijfselen van het Romeinse Rijk.

In die houding wordt men bevestigd door de macht van het getal. Naar verhouding moet het aantal Engelse reizigers een veelvoud zijn geweest van de aantallen Duitsers of Fransen (om over de Nederlanders maar helemaal te zwijgen). Bovendien is er het overrompelende bewijs van de Engelse collecties: er moet een vrijwel onafgebroken transport zijn geweest van kunstwerken die ofwel in Italië waren gekocht, ofwel speciaal in opdracht gemaakt, ofwel uit de Romeinse ruïnes opgegraven - zoals blijkt uit het enorme aantal in het Italiaans gestelde exportvergunningen. En ten slotte was er, veel sterker dan in de landen van het continent, een verlangen om door de Italiaanse cultuur te worden beïnvloed, in de muziek, in de architectuur, in het niveau van verwantschap zelfs dat men verwachtte aan te treffen. 'All our religion', schreef Samuel Johnson, 'all our arts, almost all that sets us above savages, has come from the shores of the Mediterranean, the grand object of travelling.'

In de loop van de tijd veranderde de ernst van het reizende publiek. Op een vroeg schilderij van Matteo Bolognini, ontstaan in de jaren veertig van de zeventiende eeuw, is een Engelse geestelijke afgebeeld, John Bargrave, die met twee leerlingen naar een kaart van Italië kijkt, alsof het gebied betreft dat nooit volledig zal worden begrepen. Op een doek uit 1791, geschilderd door de Fransman Jacques Sablet, zijn twee stemmig geklede reizigers in een melancholieke houding afgebeeld op het kerkhof bij de piramide van Sixtus. De twee schilderijen zijn de eindtermen van een periode waarin de belangstelling voor Italië wisselde tussen oprechte nieuwsgierigheid en de behoefte bevestigd te worden in een romantische opvatting, en tussen die van de strenge archeologische wetenschap en het anekdotische verlangen om louter met de eigen reiservaringen te koketteren - het feit dat men ergens geweest was, leek ook toen al ruimschoots voldoende.

Nergens is dat laatste scherper geparodieerd dan door Sir Joshua Reynolds, die in 1751 naar het model van Rafaëls School van Athene, een karikaturale voorstelling schildert van Engelse schilders en edellieden die eerder als ignoranten dan als goed geïnformeerde vertegenwoordigers van de Verlichting zijn afgebeeld. Nergens is het in een meedogenlozer licht geplaatst dan door Thomas Patch, in een schilderij uit 1761 dat The Golden Asses is genoemd, en waarop de reizigers in een Italiaanse salon uitsluitend nog als opgetooide fatten slappe verhalen aan elkaar zitten te vertellen.

In het parallel aan de expositie gepubliceerde Venice and the Grand Tour van de Amerikaanse literatuurhistoricus Bruce Redford wordt die nuance nog eens extra aangescherpt. Uit talloze geschriften blijkt dat men helemaal niet uit antiquarische nieuwsgierigheid op weg is gegaan, maar om een venerische aandoening op te lopen of, zoals een arts in de achttiende eeuw schreef: 'Those diseases which hinder breeding at home.'

Inderdaad, lang niet alle Engelsen zijn met meer inzicht teruggekeerd dan dat ze vertrokken. De krankzinnigste uitspraak is die van het parlementslid Horace Walpole, vierde Graaf van Oxford, die in een brief uit Florence schreef dat hij vooral in Calais van zijn stuk was gebracht: 'To speak sincerely, Calais surprised me more than any thing I have seen since.'

Melchior de Wolff

Meer over