Surrealistische trance in Boijmans

Een paar schoenen van apenbont. Een hoed waaruit je bouillabaisse kan eten. Een terrastafeltje met vogelpoten. De beroemde kreeftentelefoon van Dalí....

Rutger Pontzen

En toch heeft het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam dat juist wel gedaan. Om alles wat op de expositie Vreemde dingen aan kunst, design en theater te zien is in een wervelende samenhang bij elkaar te zetten, zodat het geheel een surplus is van alle afzonderlijke werken. Het levert een overzicht van het surrealistische erfgoed op dat, mede dankzij de inrichting van de Belgische modeontwerpers Dirk Van Saene en Walter Van Beirendonck, tot nu toe nog maar weinig getoond was.

Tijdens de opening, afgelopen zaterdag, leek het nog even op de Drie Dwaze Dagen van de Bijenkorf. Suppoosten droegen een kreeft op hun schouder, donzen vleugels op de rug of een gevederde hoofdtooi. Gedichten van André Breton werden voorgelezen door een acteur in een colbertje met opgestikte bekertjes (als het Lustopwekkend smokingjasje van Dalí, uit 1936). Er was een workshop ‘automatisch schrijven’ en bij het Instituut voor de Loslopende Mens kon je terecht voor praatje over de ‘vragen des levens’. In het restaurant stonden taartjes die eigenhandig door Giorgio de Chirico leken te zijn gebakken.

Quasi grappige frivoliteiten die de tentoonstelling zelf gelukkig niet nodig heeft. De inrichting van de Bodonzaal wordt gedomineerd door meterslange armen en benen, waarin vitrines zijn ondergebracht met de meest wonderlijke sieraden, accessoires en beeldjes. In gedempt licht hangen schilderijen van Dalí, Delvaux en Magritte, en de frottage-tekeningen van Max Ernst aan de muur. Uitgelicht onder spotjes staat ook diens getraliede ‘kooibed’. In een hoek is een reconstructie te zien van de parfumwinkel die modeontwerpster Elsa Schiaparelli ooit aan de Place Vendôme in Parijs runde. Verderop staat een classicistisch decorontwerp van De Chirico. Terwijl de toegang wordt geflankeerd door groene, ronddraaiende borstels uit een autowasserij, alsof je door een haag van bewegende cipressen de tentoonstellingszaal betreedt.

Het mag misschien wel iets te veel van het goede zijn om de bezoeker in een surrealistische trance te brengen, maar het werkt wonderwel. Niets is te gek, of het staat er. Het buitensporige Gesammtkunstwerk dat de tentoonstelling is (grotendeels afkomstig uit de collecties van het Boijmans en het Victoria and Albert Museum in Londen) doet volkomen recht aan het uitgangspunt van Vreemde dingen, om het surrealisme als een stroming te etaleren waarin kleding, Schmuck, schilderijen, meubels, foto’s en posters naadloos in elkaar overgaan.

Dat het Boijmans daarbij niet heeft gekozen voor een historische opzet, waardoor het surrealisme in zijn ontwikkeling is te volgen, kan je nauwelijks een gemis noemen. Daarvoor is het surrealisme zelf eigenlijk ook te grillig. Natuurlijk zijn er data aan de stroming verbonden, zoals 1924, toen Breton zijn eerste Manifeste du Surrealisme publiceerde. Er zijn namen: te veel om op te noemen, hoewel Ernst, Dalí, Magritte, Oppenheim en Éluard met de Engelse verzamelaar en mecenas van het surrealisme, Edward James, wel de bekendste zijn. Invloeden: Freud en Marx. En karakteristieken: zoals het belang van dromen en erotiek, de afkeer van conventies en de hang naar commercialiteit (reden waarom zoveel kunstenaars zich ongebreideld overgave aan reclameopdrachten).

Maar bovenal is het surrealisme een bonte visuele mix. Godlof laat het Boijmans het ook op die manier zien: als een draaikolk van beelden, taalkundige grappen, grootse theorieën en een hoop onzin.

Meer over