Stuntman Koelman speelt alle capricci van Paganini

Capricci van Paganini door Rudolf Koelman. Gehoord in Begijnhof Amsterdam, 8 februari...

PAY-UUN HIU

Colbert en stropdas had hij maar achterwege gelaten. En naar het zich laat aanzien, kunnen de strijkers van het Concertgebouworkest ook beter de mouwen oprollen, want hun nieuwe concertmeester is er één van het sportieve soort. Normaal is een violist al hogelijk opgelucht als hij één capriccio van Paganini zonder kleerscheuren doorkomt, maar Rudolf Koelman speelde ze zaterdagavond in de Engelse Kerk aan het Amsterdamse Begijnhof ijskoud alle 24.

Het was de opening van de serie Italiaanse vioolvirtuozen, er volgen nog concerten met barokviolisten Enrico Gatti en Andrew Manze. De afspraken waren gemaakt nog voor het nieuws bekend werd van Koelmans aanstelling bij het Concertgebouworkest. Tot die tijd was de in Zwitserland wonende violist in Nederland buiten beeld en het is de vraag of Koelman dit prestigieuze waagstuk had aangedurfd als hij had geweten dat hij bij die gelegenheid gemeten en gewogen zou worden als de nieuwe concertmeester. Kennelijk heeft hij geen reden gezien het programma te wijzigen en dat betekent dat hij vrij zeker van zijn zaak geweest moet zijn.

Koelman kan ook wel wat. Snelle loopjes, dubbelgrepen, grote sprongen, verschillende streken: hij heeft het in huis. Wanneer Paganini hem even ruimte laat, wordt ook duidelijk dat hij een mooie, ietwat dunne toon heeft. Hij is flexibel, wendbaar en hoge snelheden zijn geen probleem. Op zijn onlangs in Zürich opgenomen Kreisler-cd (een verzameling dansante en virtuoze snoepstukjes) is hij ook een onderhoudend violist, die met gevoel voor smaak al die stukgeknuffelde snuisterijen speelt.

Maar in muzikaal opzicht was de kennismaking met Koelman niet bepaald een genoegen. Een avond lang luisteren naar alle Capricci van Paganini werd bij hem zoiets als anderhalf uur kijken naar turnoefeningen aan de rekstok. Reuze knap, al die dubbele en driedubbele salto's met ingenieuze afsprongen, maar die veredelde gymnastiek is nog geen artistiek hoogtepunt. Daarvoor beheerst Koelman al die ingewikkelde kunstjes toch net niet goed genoeg.

Te vaak waren de duivelslastige dubbelgreep-passages niet zuiver en kaal van klank, te veel noten werden ingeslikt en ook in ritmisch opzicht veroorloofde Koelman zich nogal wat onlogische vrijheden, gekoppeld aan arbitraire tempowisselingen.

Zo bleek de zesachtste maat in capriccio nr. 20 wel van een ongekend elastisch materiaal met zeer afwijkend getimede maataccenten. Hopelijk laat Koelman in een wat meer artistiek afgewogen programma nog zien wat voor musicus er schuilt in de stuntman.

Pay-Uun Hiu

Meer over