Studiezalen in gedempt licht

Koningin Beatrix vindt Louis Couperus een afschuwelijke schrijver. Dit zei ze enkele jaren geleden tijdens een receptie op Paleis Noordeinde tegen Frédéric Bastet (1926)....

Arjan Peters

Nu de tijd daar is voor zijn memoires, kan Bastet alsnog zijn verbazing met zijn lezers delen. Bijna tachtig is de auteur, die volgende week in het Letterkundig Museum de P.C. Hooftprijs uitgereikt krijgt voor zijn essayistische oeuvre. Dat bestaat in hoofdzaak uit de vijf delen Wandelingen door de antieke wereld, met beschouwingen over kunsthistorische en archeologische onderwerpen, én natuurlijk de Couperus-biografie. Als het aan zijn uitgever Querido had gelegen, was er anno 2005 niet één titel van Bastet meer leverbaar geweest, want een jaar geleden gewerd hem de jobstijding dat zijn leverbare werk zou worden verramsjt. Nadat in december 2004 bekend was geworden dat hij de P.C. Hooftprijs kreeg, is Querido beschaamd en in allerijl zelfs aan het herdrukken geslagen.

Zijn memoires (nota bene geschreven op instigatie van Anthony Mertens, zijn toenmalige redacteur bij Querido) gunde hij derhalve een andere uitgever, Conserve uit Schoorl. Bijna was de verbazing die Bastet steevast begeleidt, aan het begin van dit jaar in onversneden woede verkeerd. Het kwam nog net weer goed, en als Querido-uitgever Paris er volgende week in Den Haag bij is, dan zal de laureaat haar ongetwijfeld met ouderwetse hoffelijkheid bejegenen.

Permanente verbazing en scheuten van weemoed domineren De grote wandeling. Of Bastet nu ruïnes bezoekt in Italië of Griekenland, dan wel zich ‘een indrukwekkende ruïne’ herinnert en daarmee dan op een excentrieke dame doelt (‘Om de lellen van haar keel had ze een grof gebreide voetbaldas gebonden’), zijn hele leven lang heeft hij met bevreemding om zich heen gekeken. Die wortelt niet alleen in een aangeboren gevoel voor vormelijkheid, dat in den lande een zeldzame kwaliteit is geworden. Het komt ook doordat Bastet kort na de oorlog waarin zijn broer in concentratiekamp Neuengamme was vermoord, koos voor de studies klassieke talen en archeologie in Leiden. Aldaar werd hij later hoogleraar en conservator van het Museum voor Oudheden.

Voor onderzoek verbleef hij regelmatig in Rome, Napels, op Kreta en in Pompeii: ‘Ik denk weleens, misschien heb ik daar, buiten de tijd, buiten de zogenaamde werkelijkheid, iets ervaren van wat we geluk noemen, zonder dat we het precies kunnen zeggen.’ En als hij in de jaren zestig de fascinerende reisjournalen van Carel Vosmaer bestudeert: ‘Na uren aantekeningen maken uit die in zichzelf gekeerde paperassen had ik een ogenblik moeite terug te keren in onze eigen tijd. (...) Kwam ik daarna op straat, dan was het bijna een hallucinatie: wat is nu eigenlijk de werkelijke wereld?’

Alles valt in de praktijk altijd tegen, noteert hij ook ergens. Om in de naoorlogse jaren geluk, zon en vrijheid te smaken, moest Bastet zich laten terugzakken in vroeger tijd, waar hem méér bekend zal zijn voorgekomen dan in het langzamerhand van (kennis van en gevoel voor) geschiedenis vervreemde Nederland. Elke keer dat hij zijn trommel vol stemmige anekdotes even moet sluiten voor de herinnering aan een tragisch sterfgeval of de zoveelste lijkrede waartoe hij werd aangezocht, lijkt het alsof de terugblik op zijn eigen leven voor Bastet inmiddels een vorm van archeologie is: hoeveel is er in de tussentijd niet reeds veranderd, en hoeveel waardevols in de vergetelheid en ramsj vergaan, door toedoen van de onnadenkende kinderen van de huidige tijd?

Dat zégt hij niet, dat suggereert hij slechts; zo doe je dat, als heer die omziet. ‘Veel muzieken zijn in je herinnering een relatie aangegaan met de plaats waar je ze eens gehoord hebt, onder bijzondere omstandigheden. Het larghetto uit Mozarts pianoconcert KV 491 brengt mij iedere keer weer terug naar... Chios.’ De muzieken van Mozart, van zijn voornaamgenoot Chopin en die van Liszt hebben wellicht op de draaitafel gelegen toen Bastet zijn geheugen liet spreken. Veel van hun lichtheid en zwier zijn terug te vinden in deze meestentijds toch dankbare en vrolijk stemmende memoires.

Een wereld van freules, studiezalen in gedempt licht, hooggeleerde sinjeuren en zonovergoten excursies gaat open. Bastet heeft het allemaal gezien en opgeslagen, om er pas in deze eeuw met sjeu van te verhalen. Hij is in 1951 op audiëntie geweest bij paus Pius XII en is daar nóg van onder de indruk, hij levert mooie portretjes van hoogleraren, van de weifelmoedige pianist Theo Bruins en de schilder Pyke Koch (ook na de oorlog nog antisemiet), van de lichtgeraakte en niettemin verfijnde letterkunstenaar Helmut Salden, en van passanten als de Leidse professor Bakhuizen van den Brink: ‘Tegen zijn opvolger, voordien zijn medewerker, heeft hij bij diens inauguratie gezegd dat zij elkaar nu maar moesten tutoyeren: “Ja, niet met de voornaam natuurlijk, alléén met de achternaam.” ‘

In Rome vergaapte hij zich aan de contessa Ghezzi, ‘een Belgisch scharminkeltje’ dat een dubieuze Italiaanse graaf aan de haak had geslagen. ‘De conte Ghezzi heeft bij mijn weten nooit iemand te zien gekregen. Toch moet hij een opmerkelijk man geweest zijn: hij ontwierp de hoeden van zijn vrouw. Die waren heel vreselijk.’

Zonder over zijn vakgebied en specialismen uit te weiden, maar zich concentrerend op de vaak kleurrijke types die zijn pad hebben gekruist, roept hij met mespunten venijn en immer stijlvol alles terug: de oude mensen zowel als de dingen die voorbijgaan. Dit alles overhuifd door de verwondering van een oplettende flaneur, die pas na zijn pensionering zijn vermaarde Couperus-boek schreef. Tot onze dankbaarheid. Nu Beatrix nog.

Frédéric Bastet: De grote wandeling. Conserve; 335 pagina’s; ¿ 24,95. ISBN 90 5429 208 3

Meer over