Streber in Sevilla

'Velázquez en Sevilla' is de belangrijkste van de vele exposities ter herdenking van de vierhonderdste geboortedag van de schilder. De stad toont topstukken van Velázquez zelf, maar ook werken van voorgangers en tijdgenoten, en zijn doopacte en een heus schildersdiploma....

door Cees Zoon

IN de zomer van 1623 verliet Diego de Silva Velázquez zijn geboortestad Sevilla, samen met zijn leermeester en schoonvader Francisco Pacheco en zijn assistent Juan de Pareja. Een hachelijke onderneming, niet alleen omdat de koets door duistere bossen moest waar het wemelde van de struikrovers, maar vooral omdat aan het eind van de rit het hof in Madrid wachtte. De jongeman van amper 24 jaar was geïnviteerd om zich aan koning Filips IV en diens hofhouding te presenteren, en hij was vastbesloten zich daar 'in te vechten' en een positie als hofschilder te verwerven.

Dat lukte hem, zoals wij weten, bijzonder goed. Velázquez was zo gezegend met talent dat hij al zijn tijdgenoten in de schaduw stelde en zich aan het hof kon ontwikkelen tot een van de belangrijkste schilders uit de geschiedenis. Maar hij voelde zich ook op een andere manier thuis aan het hof: in het eeuwige gekonkel en de pogingen de pikorde te wijzigen blies hij zijn partijtje mee.

Velázquez was een streber, een man die voortdurend bezig was zijn financiële positie te verbeteren, een huisjesmelker die zijn centen belegde in hele rijen huizen in Sevilla, een man ook die geen genoegen nam met zijn sociale positie: door middel van de vele ambten die hij aan het hof bekleedde probeerde hij zijn prestige en macht continu te vergroten.

Hij was natuurlijk ook meer dan een hofschilder, zijn functie zou je kunnen omschrijven als 'artistiek directeur'. Alle culturele activiteiten aan het hof waren het domein van Velázquez: hij had de supervisie over het ontwerpen van triomfbogen, praalgraven, defilés, feesten en diners. Hij organiseerde tableaux vivants, levende schilderijen waarvan slechts de koning en diens gasten konden genieten. Had hij al zijn tijd besteed aan schilderen, dan was zijn oeuvre vele malen groter geweest.

Velázquez-de-streber is het onderwerp van een van de nieuwe studies die zijn samengebracht in de monumentale catalogus van de tentoonstelling Velázquez en Sevilla. Het is de belangrijkste expositie in het kader van de herdenking van de vierhonderdste geboortedag van de schilder, die het hele jaar door aanleiding is geweest voor kleinere exposities, congressen, symposia en publicaties. Velázquez mag dan naam hebben gemaakt aan het hof in Madrid, hij was een Andalusiër, en in een door regionalismen geteisterd land ligt het voor de hand dat Andalusië en Sevilla het grootst uitpakten.

Sevilla geeft een overzicht van het werk dat Velázquez naliet toen hij in de zomer van 1623 in de koets stapte op zoek naar wereldfaam. Zelden zijn zoveel stukken uit zijn Sevillaanse periode bijeengebracht als nu in het klooster La Cartuja de Santa María de las Cuevas: Oude vrouw die eieren bakt komt uit Edinburgh, De waterverkoper van Sevilla uit Londen, net als drie andere werken, de Heilige Thomas komt uit Orléans, er zijn twee versies van De maaltijd, een uit de Hermitage in St. Petersburg, de andere uit Boedapest. Er zijn schilderijen die normaal in Dublin hangen, in Barcelona of in het Prado in Madrid.

De productie van een wonderkind, zou je de expositie ook kunnen noemen. Velázquez was een vroegrijp talent, die als puber al zijn leermeester Pacheco overvleugelde. De 22 werken die in La Cartuja zijn verzameld, maken op geen enkele manier de indruk dat zij door een jongen zijn vervaardigd. Een meesterwerk als Oude vrouw die eieren bakt schilderde Diego Velázquez toen hij amper achttien jaar was.

Maar Sevilla wil meer dan alleen een aantal topstukken bijeen presenteren. Vandaar dat de catalogus 102 nummers telt, want het Sevilla in de titel van de expositie wil zeggen dat de schilder in samenhang met zijn tijd en zijn plaats wordt aangeboden: werken van voorgangers, zijn leermeester Pacheco, tijdgenoten in Andalusië, en documenten als de doopacte, het getuigschrift van zijn examen als schilder of huurcontracten van de woningen die hij bezat.

Sevilla was in de dagen van Velázquez een wereldstad, veruit de belangrijkste van Spanje met ruim honderdduizend inwoners en in Europa slechts voorgegaan door Parijs en Napels. Het was de uitvalsbasis naar de Nieuwe Wereld en daardoor in de zestiende eeuw aangezwollen door een eindeloze stroom handelaren, missionarissen, kunstenaars, en allerhande profiteurs en geboefte. De Contrareformatie leidde bovendien tot een kunstexplosie: Sevilla was de verzamelplaats van nieuwe religieuze orden die kerken en kloosters uit de grond stampten, en daarmee een goudmijn voor kunstenaars uit heel Europa. Hier lagen de opdrachten voor het oprapen.

Tijdens Velázquez' jeugd was de stad al over haar top en begon het verval langzaam in te zetten, door wanbestuur, crises en plagen, sublimerend in de pestepidemie van 1649 die de helft van de bevolking uitroeide. Maar Velázquez groeide op in een bruisend oord waarin de schilderkunst en de architectuur een rol van groot belang speelden.

De expositie en de begeleidende studies geven een mooi inzicht in de wereld van de jonge Velázquez. Zo maken zij duidelijk dat het genie zich niet ontwikkelde ergens in de provincie, verstoken van kennis van het werk van voorgangers en tijdgenoten. Al in zijn leerjaren zag hij heel wat grootheden die hem sterk beïnvloedden, zoals Caravaggio. In de kerken en kloosters van de stad waren horden Vlamingen en Italianen aan het werk, bovendien was Sevilla de doorgangshaven van kunstwerken die bestemd waren voor de export naar de kolonieën. Kunsthandelaren deden goede zaken, net als de ateliers die voor de export produceerden als ware kunstfabrieken.

Opvallend is de studie die Velázquez tot een sociale streber bestempelt, een man die zijn hele leven bezeten was van het verwerven van een adellijke titel. Dat was uitermate handig in een tijd dat in Spanje de wetten van de bloedzuiverheid alle burgers bedreigden: iedereen moest aantonen dat hij vrij was van joodse en moorse smetten. Als kind was Velázquez getuige van de uitdrijving van de moriscos, de tot het christendom bekeerde arabieren. Bijna twintigduizend mensen werden in Sevilla op de boot gezet, van wie de meesten in Noord-Afrika belandden.

De ouders en grootouders van de schilder waren welvarende handelaren, met een goed inkomen, maar zonder hoge sociale status. Later in Madrid probeerde Velázquez het beeld te scheppen dat hij adellijke voorvaderen had. Zijn eerste biografen doen zelfs een hilarische poging hem via zijn Portugese grootvader Rodriguez Silva te verbinden met de mythische stichters van het koninkrijk Portugal, de Silva de Alba Longa, nazaten van Silvio, de zoon van Aeneas. Op zijn titel moest Velázquez wachten tot het einde van zijn leven, toen hem de orde van de ridders van Santiago ten deel viel.

De outfit behorend bij deze orde is de afgelopen zomer aangegrepen voor de mogelijke identificatie van de stoffelijke resten van de schilder. Maandenlang verspreidde het gemeentebestuur van Madrid berichten dat Velázquez nu zo goed als zeker teruggevonden was, maar alle graven die met dat doel werden blootgelegd, bleken aan anderen toe te behoren. Madrid wilde haar deel van het Velázquez-jaar opeisen, maar bleef met lege handen achter. Alle eer gaat naar Sevilla, dat met een buitengewone expositie het vroegrijpe genie van de schilder toont.

Velázquez en Sevilla: vierhonderdste geboortejaar van Diego Velázquez. Klooster La Cartuja de Santa María de las Cuevas in Sevilla. Tot en met 12 december. Catalogus 6750 peseta (ongeveer 90 gulden).

Meer over